Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inluid, wet B. O. — Alg. Begins. XVII.

643

waardeering per se den rechter wil laten *). Maar het komt mij voor dat een algemeene formule voor die gevallen kwalijk vindbaar zal blijken. M. i. is het gewenscht dat de wetgever een onderzoek instelle naar de hier bedoelde gevallen, waarin den rechter (niet enkel den administratieven) de feitelijke waardeering behoort te zijn onttrokken, om dan de betrekkelijke wetsbepalingen dienovereenkomstig te redigeeren. Dit onderzoek, ondernomen enkel met het oog op de hier bedoelde bepalingen, zal wel van geringer omvang kunnen zijn dan dat, waarover hiervóór op blz. 603 v. b. werd gesproken. Als voorbeeld van bepalingen, die naar het boven gezegde anders zouden zijn te redigeeren dan zij nu luiden, worde hier gewezen op artt. 12 en 13 der Vreemdelingenwet van 1849 Stbl. 392).

c. Speciale redenen, als bedoeld hiervóór p. 641 v. o.—642 v. b.,

!) Vgl. — in bovenstaanden zin — v. Lemayer, geciteerd hiervóór in no. 26 i. f. Zie mede Roëll en Oppenheim in R. Mag. 21 p. 49 v. o.—50 v. b., die m. i. echter (blijkens verschillende voorbeelden 1.1. p. 49, p. 93 sub 11», p. 94 sub 17°) al te veel hebben toegegeven aan de te absolute leer in deze door v. Idsinga voorgestaan.

2) Zie ook hiervóór p. 608 nt. 2.

Bij de bewering van Roëll en Oppenheim 1.1. p. 93 v. b. dat de vrijheid van beweging der administratie niet hinderlijk wordt getroffen, door den administratieven rechter te laten beslissen of een vreemdeling gevaarlijk is voor de publieke rust, past m.i. een groot vraagteeken. De mogelijkheid toch schijnt volstrekt niet uitgesloten dat een kortzichtig rechter, zeer tot schade van het landsbelang, geen gevaar ziet, waar de Regeering, die een ruimeren kijk op de politieke constellatie van het oogenblik kan hebben, dat wél ducht. En om verschillende redenen zou het voor de Regeering niet altijd doenlijk zijn den rechter te overtuigen van ongelijk.

In het oud-Hollandsch recht, toen de grenzen der rechtspraak op politiek gebied onzeker waren, stond vast dat in een geval als dit, het eindoordeel was aan het politiek gezag; vgl. H. de Groot, Verantw. v. d. wettel. Regieringh in Holland enz. ed. Parijs 1622 cap. 12 p. 129, en J. v. d. Linden, Verhandel, over de justitieele practijcq, dl. I, bk. I, Ilfdst. 7 § 4, 2e ed. (1829) p. 89. Zie ook Tjeenk Willink (p. 515 hiervóór geciteerd) p. 33—36. —Zou de wet van 1849 wel iets anders hebben bedoeld? Vgl. het p. 573 v. b. gezegde. — Vgl. mede Stier— Somlo (p. 461 hiervóór geciteerd) p. 505—506.

Sluiten