Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

644

Inleid, wet R. 0. — Alg. Begins. XVII.

tot een interpretatie van wettelijke voorschriften, volgens welke de t. a. p. omschreven feitelijke waardeering den rechter is onttrokken, kunnen m. i. slechts daar worden aangenomen, — waar dit rationeel moet geacht, omdat het in het algemeen belang noodzakelijk is') dat bij de administratie het eindoordeel zij over de aanwezigheid der in het wettelijk voorschrift gestelde feitelijke vereischten. Dit geval doet zich m. i. voor, o.a. in het hierboven sub b i. f. genoemde voorbeeld der Vreemdelingenwet; zie de noot t. a. p. Naar het schijnt ook bij kwesties als die van nos. 24, 25 en 35 hiervóór. Die van no. 19 kan eveneens hiertoe gebracht. Maar niet overal, waar een „technisches Ermessen" noodig wordt, is, gelijk het Duitsche Reichsgericht besliste2), bij twijfel het eindoordeel aan de administratie 3), — doch wèl m. i., waar in den regel kennelijk alléén de administratie (met haar deskundigen) in staat zal zijn de noodige feitelijke waardeering met juistheid te verrichten4). Zou, als in zulke gevallen de rechter de administratie niet blindelings volgde, de kans op een onjuiste uitspraak niet zeer groot zijn5)? Tot die gevallen kan misschien ook gebracht de door v. Lemayer opgestelde rubriek, aangeduid hiervóór op blz. 622. Onder de voorbeelden van technische

1) Dat de rechter dan toch do vraag moet beoordeelen of die noodzakelijkeid bestaat, is m. i. geen overwegend bezwaar. Vgl. ook hiervóór no 22 B sub g. Maar verkieselijk is een zoo duidelijke wettelijke regeling, dat er hieromtrent geen kwestie rijst.

2) Zie het slot van R. G. 11 Jan. 1906 E. Z. S. 62 p. 279 (281 v. 0.-282), van meening dat aan de administratie bij twijfel bet eindoordeel is ovei de vraag, of de wettelijke vereischten voor haar optreden feitelijk aanwezig zijn, indien hiertoe een «technisches Ermessen>j noodig is, zooals bij de vraag of zekere inrichting hinderlijk is voor een school. M. i. is dit kriterium niet het ware.

3) Vgl. Teznür, Die deutschen Theorieen p. 260-262, 270—271.

i) Bij uitzondering kan het wel eens dubieus zijn óf dit zoo is; vgl. Hand". Tweede Kamer 1907-1908 p. 2076 en 2077 kol. 2. — Vgl. hierbij ook het in no. 16 i. f. hiervóór gezegde, en Tezneu 1.1. nt. 206 op p. 297.

5) Vgl. hiervóór p. 566—567, en speciaal de eerste noot op p. 567.

Zie ook IIoogger.Hof N.-Indië 26 April 1869 Ind. W. v. h. R. 310:

De vraag, waarvan art. 103 van het vroegere Reg. Regl. van 19 Jan. 1830

Sluiten