Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

650 Inleid, wet R. 0. — Alg. Begins. XVII.

oordeel over de vraag of het bewuste gebrek bestaat, en of dientengevolge zijn optreden noodig is. — Dit vonnis is bevestigd door Hof Arnhem 18 Juni 1888 W. 5573, P. v. J. 1888 no. 81. — Zie verder ook Rb. Leeuw. 31 Mei 1888, geciteerd op de in dit en het vorige no. vermelde blzz. — Bij vorenstaande beslissingen is te vergelijken Rb. Tiel 17 Juni 1870 W. 3284, inzoover dit vonnis oordeelde dat de rechter, die bij een exceptie van non-qualiflcatie van een kerkbestuur heeft te onderzoeken of, waar de wettigheid eener benoeming vaststaat, deze is aanvaard, — niet heeft te eerbiedigen de ontkennende beslissing hieromtrent van het provinciaal kerkbestuur, als zij buiten geschil is gegeven, terwijl het kerkelijk reglement aan die beslissing slechts kracht toekent, voorzoover gegeven als rechterlijke uitspraak in een geschil (vgl. op art. 1 R. O. sub G no. 2).

Bij dit no. 52 vgl. hiervóór nos. 24 en 35, en het op p. 644 over de jurisprudentie in die nos. gezegde, ook hier m. i. mutatis mutandis van toepassing: de gewilligheid van het personeel biedt analogie met no. 35, de geschiktheid met no. 24.

53. Laat het kerkelijk reglement het toezicht op de geregelde naleving daarvan, alsmede de vereffening der ontstane zwarigheden aan het oordeel van het klassikaal bestuur over, en dit heeft zekere personen, die door den bij het reglement hiertoe aangewezen kerkeraad benoemd waren tot diakenen, als zoodanig erkend, — dan zijn deze twee colleges (kerkeraad en klassikaal bestuur) de eenige macht, bevoegd een wettig [lees: rechtsgeldig] oordeel uit te spreken over die hoedanigheid van diaken, zonder dat de rechter daarnaar onderzoek mag doen. — Zoo H. R. 15 Juni 1849, vermeld op p. 212—213, waarbij vgl. de p. 213—214 verder geciteerde jurisprudentie ; zie ook p. 339—340 en op art. 1 R. O. sub G no. 2. — In 1849 werd voor den H. R. nog aangevoerd dat, deed de rechter wèl onderzoek naar de regelmatigheid der benoeming, hij ook zou hebben te vragen of daarbij was in acht genomen de bepaling van het provinciaal kerkelijk reglement dat diakenen moesten zijn voorstanders van den Hervormden godsdienst, onberispelijk in belijdenis en zeden,

Sluiten