Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(354 Inleid, wet R. 0. — Alg. Begins. XVII.

dat misschien hier behoort, als het n.1. geen kerkelijke broederschap betrof. — Ygl. hierbij ook nog W. Tonckens (p. 48 hiervóór geciteerd) p. 50—51 in de noot.

cl. In anderen zin dan de voorafgaande beslissingen overwoog een arbitrale uitspraak Amst. 23 Jan. 1869 W. 3104, R. B. 1872 p. 568 dat, als de statuten eener korporatie aan de ledenvergadering het recht geven om een lid te ontzetten, dat zich door onredelijk gedrag onaangenaam maakt, — hij die (hier als arbiter) wordt geroepen tot beslissing op een vordering van een ontzet lid ter veroordeeling van het bestuur om hem als lid te erkennen, heeft te onderzoeken of het in de statuten voor de ontzetting genoemde vereischte ook aanwezig is. Implicite in dien geest ook Rb. Amst. 17 Mei 1901 P. v. J. 1901 no. 84. — Ygl. p. 208 v. o. hiervóór en het volgend no. 58.

58. In denzelfden zin als die van het vorig no. 57 sub a—c (vgl. ook no. 50) zullen moeten opgevat de volgende beslissingen:

Daar art. 15"wet 17 Nov. 1876 Stbl. 227 veroorlooft dat de statuten eener coöperatieve vereeniging regelen de gevallen waarin, en de wijze waarop, ontzetting uit het lidmaatschap zal geschieden, kan daarin ook aan de ledenvergadering het nemen van een besluit tot ontzetting worclen overgelaten, des dat wordt uitgesloten rechterlijk onderzoek omtrent de vraag of terecht door de ledenvergadering is aangenomen dat een der statutaire gronden tot ontzetting aanwezig was. — Zoo H. R. 8 Dec. 1898, verwerpend de cassatie tegen Hof Amst. 18 Febr. 1898, waarbij (met bevestiging van Rb. Haarlem 16 Febr. 1897) de bepaling der statuten in dien zin was opgevat dat men door de ledenvergadering van het lidmaatschap vervallen kon verklaard, als naar het oordeel van het bestuur een in de statuten aangegeven geval aanwezig was, ■— en op dien grond was beslist dat de rechter slechts had na te gaan of een besluit tot ontzetting als in de statuten omschreven, al dan niet was genomen. — Zie deze beslissingen mede vermeld hiervóór p. 223—225. — In gelijken geest ook Rb. Utrecht 20 Dec. 1899 W. 7413. Evenals

Sluiten