Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet R. 0. — Alg. Begin-s. XVII.

655

in het proces van 1897 voor Rb. Haarlem, was hier ingesteld een vordering tot ontruiming. In beide aangelegenheden noemden de statuten verschillende gevallen die grond gaven tot ontzetting van het lidmaatschap, terwijl slechts bij een deel dier gevallen de opvatting recht van bestaan kon hebben dat het eindoordeel over de aanwezigheid der feitelijke omstandigheden was overgelaten aan de tot royeeren bevoegden. — Van zulk eindoordeel schijnt geen sprake te zijn geweest in het geding, beslist door Rb. Leeuw. 16 Mei 1907 W. 8601, en in appèl door Hof Leeuw. 17 Juni 1908 W. 8857, nader te vermelden in het Supplement op Alg. Begins. XV no. 18. Genoemd arrest van het Hof is wel op dit punt gemotiveerd in den trant van dat van Hof Amst. van 1898, doch zonder de in laatstgemeld arrest voorkomende overweging, betreffende het [eind]oordeel van het bestuur (hier van de ledenvergadering).

of). De rechter mag in een vordering tot schadevergoeding, door een aandeelhouder ingesteld tegen een naamlooze vennootschap, op grond dat de vergadering van aandeelhouders, die krachtens de statuten jaarlijks de winst vaststelt, daarbij onjuist en dientengevolge wederrechtelijk zou zijn te werk gegaan, — de vraag niet beoordeelen, inhoever die algemeene vergadering geslaagd is in het schatten van cle bezittingen der vennootschap. — Zoo Hof 'sGrav. 4 Febr. 1901 W. 7640, P. v. J. 1901 no. 29, bevestigend een vonnis Rb. 's Grav., waarbij de eisch niet-ontvankelijk was verklaard, op grond dat moest geëerbiedigd de vaststelling der winst door de algemeene vergadering. Daaromtrent ging het Hof echter na of de vergadering in het algemeen juist was te werk gegaan, slechts het hierboven genoemde punt aan het eindoordeel dier vergadering overgelaten achtend1).

Bij nos. 57—59 vgl. no. 65 hierna.

!) In dit verband worde gememoreerd dat volgens A. A. II. Struycken in R. Mag. 28 (1909) p. 324-325, Hof Amst. 6 Maart 1908 W. 8718 zich liet vermogen zou hebben ontzegd, in concreto de rechtsgeldigheid eener bepaalde handeling van het orgaan eener naamlooze vennootschap aan de statutaire doelbegrenzing te meten, beloogend dat de verhouding der handeling tot het

Sluiten