Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wel II. O. — Alg. Begins. XVII. 657

geleverd, en dat in den regel het eindoordeel der Direktie in deze zou zijn neergekomen op haar goedvinden. Intusschen, dat de clausule niet te goeder trouw ten uitvoer is gelegd (art. 1374 lid 3 B. "W.) kan waarschijnlijk gemaakt telkens, als het bewijs van een door de Direktie ontkende omstandigheid handtastelijk is te geven en vergissing onaannemelijk is. En die bewijslevering moet voor dit doel ondanks de clausule bij den rechter kunnen plaats hebben. Deze heeft slechts dan het bij de overeenkomst bedoelde eindoordeel te eerbiedigen, als er geen afdoende reden is om kwade trouw aan te nemen. Op die manier kan men soms tot hetzelfde praktische resultaat komen als het Hof hier deed; doch niet altijd. Want, al moge dan tegen klaarblijkelijke willekeur een beroep op den rechter baten, anders is het, waar men opkomt tegen een door eigenbelang ingegeven eenzijdige beoordeeling, zonder dat kwade trouw waarschijnlijk kan worden gemaakt; zie hiervóór blz. 581 noot 1 en blz. 646 noot 1. — Ygl. hierbij het leerstuk der conditio potestativa en de onderscheidingen tusschen conditio si volam, si fecero, si placuerit, alsmede si je le juge raisonnable. Zie artt. 1292 'en 1499 B. W. en de litteratuur daarover, vooral Land op art. 1292. Het boven geciteerde arrest Hof 's Gravenhage van 1902 volgt een gelijksoortige redeneering als Pothier, Obl. éd. Brux. (1834) no. 48, die „si je le juge raisonnable" gelijkstelt „au cas que cela soit raisonnable", wat echter niet opgaat. — Bij de uitlegging van het Hof schijnt de clausule „ten genoege"enz. metterdaad zonder eenige beteekenis. Vgl. artt. 1380 jis 1378 en 1385, alsmede 1293 B.W. (ziedaarbij §§ 133 en 157 van het Duitsche B. G. B.). — De genoemde clausule dwong, volgens het Hof, niet tot de uitlegging dat het eindoordeel bij de Direktie bleef, daar zij — zoo nam het Hof aan — kon opgevat in dien zin dat de Direktie was aangewezen om de deugdelijkheid der schuld eerst te onderzoeken vóór tot betaling werd overgegaan. Maar wat beduidt zulk een aanwijzing tot iets dat vanzelf spreekt'?

Bij het vermelde arrest Hof 's Grav. van 1902 gold het een oordeel over het al dan niet bestaan van zekere rechtsbetrekking,

42

Sluiten