Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet R. 0. — Alg. Begins. XVII. 659

perkte toepassing der geciteerde § 12. — Zoo Rb. Rott. 3 April 1905 W. 8334. — Ygl. art. 1374 lid 3 B. W.

Dit vonnis betrof het eindoordeel over de naleving van een contract. Hieromtrent vgl. ook op art. 1 R. O. sub. G nos. 31 en 32 : H. R. 30 Okt. 1846 W. 764, enz., en Rb. Rott. 12 Dec. 1904 W. 8291, beide erkennende de geldigheid van bedingen, die dit oordeel overlaten aan anderen dan den rechter. Zie ook aldaar no. 27 (H. R. 23 Jan. 1903, 24 April 1891, 28 Febr. 1889, 2 Mei 1879, 26 Okt. 1877 en 20 Febr. 1852) betreffende de geldigheid van bedingen, waarbij het eindoordeel over de uitlegging van een contract is overgelaten aan een ander dan den rechter, in verband met de vraag of dit is opdracht van rechtspraak.

b. De clausule in een arbeidscontract dat de werkman kan worden ontslagen, als naar het oordeel van dm werkgever het werk af is, heeft, waar de werkman voor het geheele werk is aangenomen, de beteekenis dat het den werkgever vrij staat te beoordeelen of het werk af is, maar daaruit volgt niet dat hij de dienstbetrekking zonder opzegging kan doen eindigen door te verklaren dat het werk voor den werkman (een bankwerker) af was, terwijl hij daaraan andere bankwerkers liet voortwerken. De ontslagen werkman moet dan worden toegelaten tot het bewijs van dit laatste feit, en daarmee hiervan dat het werk niet af was. — Zoo Ktg. IV Amst. 12 Maart 1909 Bijv. Soc. W. 1909, le S. p. 1. — Ook bij dit vonnis vgl. art. 1374 lid 3 B. W.

©3. Is bij contract van aanbesteding bepaald dat zekere gevolgen van onvoorziene omstandigheden niet komen ten laste van den aannemer, doch tevens dat de Direktie van het werk beslist of de omstandigheden te voorzien waren, dan is dit punt ter beslissing voorbehouden aan de Direktie, en kan het hierom niet onderzocht door den rechter. — Zoo H. R. 9 Juni 1899 W. 7297, R.spr. 182 § 19, v. d. Hon. B. R. 65 p. 274, P. v. J. 1899 no. 55. Vgl. ook hiervóór no. 27 sub b en het volgend no. 63.

Bij bovenstaand arrest van 1899, gelijk eveneens in nos. 63 en 64, gold het een oordeel, dat zelf liep enkel over feitelijke

Sluiten