Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

662 Inleid, wet li. 0. — Alg. Begins. XVII.

vraag of de waarborgen der rechtspraak voor ieder zullen gelden, zou toch afzonderlijk kunnen gewaakt tegen ontduiking. De stelregels: iura vigilantibus scripta, en pacta sunt servanda, mogen niet het summum ius tot summa iniuria doen worden. — Noch de autonomie van korporaties en instellingen, noch de contractsvrijheid schijnen mij toe een beletsel te zijn om belanghebbenden wettelijk te beschermen tegen willekeur of partijdigheid van hen, die feitelijk macht uitoefenen. Dat dit geschiede, waar het mogelijk is zonder al te groote benadeeling van belangen, die evenzeer recht van bestaan hebben, — is een eisch der rechtvaardigheid. Misschien is die eisch niet overal voor verwezenlijking vatbaar, maar dat is geen reden om er niet aan te voldoen, als het wèl kan. Zoo zou m. i., mocht de praktijk leeren dat van contractueele clausules als die in nos. 60 en 61 aangeduid, vaak misbruik wordt gemaakt'), zonder dat artt. 1374 en 1375 B. W. hiertegen helpen (vgl. p. 656—657), de wet kunnen bepalen dat de rechter, — als een overeenkomst het ontstaan of te niet gaan van rechten of verplichtingen afhankelijk stelt van iemands oordeel över het bestaan van eenige in de overeenkomst aangewezen omstandigheid, — zoo hij, rechter, het uitgesproken oordeel handtastelijk onjuist acht, het contract heeft toe te passen, als ware het bestaan der aangewezen omstandigheid zelf als vereischte gesteld. Vgl. hierbij artt. 1639 p i. f. en 1639 q i. f. B. W. — Ten aanzien van bepalingen in statuten en reglementen (ook kerkelijke) zou misschien — beschouwt men de zaak enkel uit een oogpunt van rechtszekerheid — het rationeelst zijn een gelijksoortige regeling als hiervóór in no. 45 sub a aangegeven voor wettelijke verordeningen. Maar tegen zulke inmenging van Staatswege kunnen bezwaren worden geopperd. Acht men deze overwegend, dan ware m. i. ook daarvoor hetzelfde voor te schrijven als zooeven ten opzichte van contracten is gezegd, met een uitzondering echter voor onderwerpen als bedoeld in no. 56 sub a hiervóór.

1) Vgl. b.v. Soc. Weekbl. 1909 p. 29 — 30 kol. 1 v. b.j°. art. 1038 v B. W.

Sluiten