Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet R. O. — Alg. Begins. XVIII. 665

d. Rb. Haarlem 3 Juli 1877 W. 4159, P. v. J. 1877 Bijbl. 29 besliste aldus: De vordering, strekkende tot verklaring dat eischer voor zijn gronden recht heeft op vrije gemeenschap met een openbaar vaarwater, en tot veroordeeling van den concessionaris voor droogmaking van een polder, om die gemeenschap te herstellen, — is ontvankelijk, al heeft eischer zich reeds, ingevolge een bepaling der concessie, hiertoe gewend tot het administratiei gezag.

e. Bovenstaande jurisprudentie nam implicite aan dat de rechterlijke macht niet was gebonden aan de gegeven administratieve beslissingen ; vgl. p. 353 v. o. (no. 87).

B.

2. a. Het niet vooraf reklameeren byj de administratieve macht tegen het kohier van een poideromslag, brengt niet mee dat men niet-ontvankelijk zijn zou om zijn bezwaren te onderwerpen aan 's rechters oordeel door een verzet tegen het dwangbevel tot betaling van den omslag '). — Zoo Rb. Leeuw. 10 Okt. 1876 W. 4130 (ad III sub b)- — In gelijken zin Rb. 's Grav. 18 Mei 1880 W. 4516. Zie ook Rb. Nijmeg. 7 Dec. 1850 W. 1221, R. B. 1851 p. 544, en Rb. Rott. 4 April 1910, vermeld hieronder no. 4 i. f. Ygl. mede het in 't vorig no. 1 sub b genoemde vonnis Rb. Zutphen van 1868 ten aanzien van het niet in hoogste instantie volgen van den administratieven weg. — Zie verder, naar aanleiding van het nu afgeschafte keizerlijk dekreet van 11 Jan. 1811, bij Léon, Staatsrecht, le ed., no. 3 op dit dekreet, alsmede no. 6 op art. 163 Grw. 1840: H. R. 10 Mei 1850 W. 1151, enz., en H. R. 6 Nov. 1845 W. 661, enz., casseerend het in tegengestelden zin gewezen arrest Hof Overijssel van 9 Sept. 1844 W. 661.

Bij dit no. 2 vgl. de volgende nos. 3—5.

3. b. Ten opzichte der competentie van de rechterlijke macht in een civiele vordering, besliste Rb. Maastr. 15 April 1852

i) Vgl. nu art. 42 wet 9 Mei 1902 Stbl. 54.

Léon: Rechtspraak, 3e Druk, Deel II, afl. 1 42*

(Mr. L. van Praag, Recht. Org.)

Sluiten