Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

668 Inleid, wet R. 0. — Alg. Begins. XVIII.

in het algemeen de jurisprudentie zich de verhouding voorstelt van administratieve behandeling (indien deze door de wet wordt gevorderd) en procedure voor den rechter.

7. f. In "VV. 808] p. 4 bestrijdt X een arrest H. R. (K. v. Sz.) van 6 Juni 1904 W. 8077, R.spr. 197 § 24, P. v. J. 366, —waarbij was beslist dat hij, die geen gebruik maakt van het bij art. 16 der Veiligheidswet (van 20 Juli 1895 Stbl. 137) gegeven recht om bij den Minister in beroep te komen tegen een voorschrift van den Inspekteur [nu: distriktshoofd der arbeidsinspektie], verplicht is de hem door den Inspekteur voorgeschreven maatregelen te nemen. X meent dat, al zat beklaagde stil, de strafrechter de wettigheid van bedoeld voorschrift van den Inspekteur toch heeft te onderzoeken. Intusschen had de H. R. dit ook gedaan, en 'die wettigheid — hier naar het K. B. van 7 Dec. 1896 Stbl. 215 — aangenomen wegens art. 22 van dit Kon. Besl. Vgl. verder art. 18 der Veiligheidswet, dat de H. R. kennelijk op het oog had, en waaruit argumento a contrario kan afgeleid dat onwettigheid van het voorschrift van den Inspekteur ten opzichte van den fabrikant wordt gedekt door het daartegen niet reklameeren bij den Minister. De beslissing van den Minister krachtens art. 16 moet dan mede als administratieve rechtspraak worden beschouwd, wat wel op zich zelf geen afdoend argument zou zijn, om zonder wettelijke bepaling hieromtrent aan te nemen dat een onwettig voorschrift van den Inspekteur, waartegen niet bij den Minister is opgekomen, als verbindend moet aangemerkt, doch waarbij ook hierop is te letten dat de termijn van art. 16 kan worden geacht tot dit resultaat te leiden; vgl. hiervóór p. 183 ja. p. 233.

Zie ook Alg. Begins. XVI no. 31 sub e, — in het bizonder de p. 484—485 genoemde arresten Hof Arnhem van 1902 en 1905, waarop, naar het schijnt, de zooeven weergegeven kritiek van X met meer reden zou kunnen worden toegepast dan op het arr. H. R. van 1904.

S. g. Uit vergelijking van den termijn van art. 41 der wet van 10 Nov. 1900 Stbl. 176 met dien van art. 39 lid 2 dier wet

Sluiten