Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet R. 0. — Alg. Begins. XVIII. 669

(zie vroeger artt. 7—9 wet 12 Juli 1855 Stbl. 102) maakt Schepel, Waterschapswetgeving p. 316 v. b. op dat, worden noodzakelijkheid en de verplichting tot het werk beide ontkend, men zich eerst tot de Kroon heeft te wenden, en slechts na haar beslissing de rechter uitspraak kan doen over de verplichting. Het komt mij echter voor dat art. 41 ook toelaat, een interpretatie, volgens welke aan belanghebbende de keus is, of hij eerst de beslissing der Kroon wil afwachten, dan wel dadelijk de rechterlijke uitspraak inroepen '). De Mem. v. Toel. — BijK IJandn. Tweede Kamer 1895 — 1896 no. 167 (3) p. 13 — op art. 40 van het oorspr. Reg.-ontw. (thans art. 41) zegt dat het artikel alléén inzoover verschilt van art. 9 der wet van 1855, dat het niet enkel geldt voor waterschappen, terwijl toch reeds in dit ontwerp was gebroken met de uniformiteit der termijnen in de wet van 1855, en de redaktie was gewijzigd. En als reden voor de inkorting van den termijn in art. 41 geeft de tweede Mem. v. Antw. — in BijK Handn. Tweede Kamer 1899—1900 no. 14 (3) p 4 — enkel op dat het hier noodzakelijke werken geldt. Het verschil in de termijnen van art. 39 lid 2 en 41 der wet van 1900, dat trouwens gering is, schijnt Schepel's gevolgtrekking niet te wettigen.

C.

9. a. Daar krachtens art. 9 der wet van 12 Juli 1855 Stbl. 102 [zie nu art. 41 wet 10 Nov. 1900 Stbl. 176] alleen de rechterlijke macht heeft te beslissen over de gehoudenheid van een waterschap tot het doen verrichten van een werk, door Geel. Staten krachtens art. 7 dier wet (art. 38 wet 1900] bevolen,

— mogen, zoolang de rechter niet heeft beslist, Ged. St. geen post voor zulk werk op de begrooting van het waterschap brengen.

— Zoo K. B. 22 Okt. 1896 R. v. St. 36 p. 788 ja. p. 719,

!) De óók mogelijke opvatting, volgens welke in art. 41 «Onze beslissing» alléén zou terugslaan op die bedoeld in art. 40 i. f., is niet rationeel. Zie ook art. 9 lid 2 der wet van 1855, waaraan de geciteerde woorden in art. 41 wei 1900 kennelijk zijn ontleend.

Sluiten