Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Meid. wet R. 0. — Alg. Begins. XVIII, XIX. 671

1854 Stbl. 100) tot betaling eener schuld, niettegenstaande de betrekkelijke post op de begrooting der instelling niet is goedgekeurd door den Gem.-Raad. ■— Zoo H. R. 10 Maart 1911 W. 9157, R.spr. 217 § 29, W. B. A. 3236 (jfl. 3235). — Vgl. nu artt, 2 no. ld en 27 no. 1 der Armenwet 1912 Stbl. 165.

11. Hof Arnhem 6 April 1910 W. 9120, W. v. N. R. 2180 (waarbij vgl. het vonnis a quo Rb. Zutphen 22 April 1909 W. 9086) achtte niet-ontvankelijk de voor den rechter door een partikulier tegen een partikulier ingestelde vordering tot wegruiming van belemmeringen op een openbaren weg, omdat die wegruiming behoort tot den werkkring van het openbaar gezag, belast met toezicht op en zorg voor de openbare wegen. — Het komt mij voor dat deze beslissing in beginsel niet is overeen te brengen met de in het vorig no. 10 vermelde van H. R. 10 Maart 1911. M. i. moet worden ontkend dat de rechter onbevoegdelijk zou treden op het terrein der administratie, enkel doordat hij, een te zijner competentie staande vordering toewijzend, een bevel geeft dat óók van de administratie had kunnen uitgaan, zonder dat dit tegen haar is gericht.

XIX. Gebondenheid der administratie aan beslissingen der rechterlijke macht.

t. Zie hieromtrent in het algemeen, hoewel voornamelijk voor Frankrijk, Laferrière (p. 401 hiervóór geciteerd) I, le ed. p. 459—464, 2e ed. (1896) p. 508—513; vgl. ook 1.1., le en 2e ed. p. 27 ja. p. 26. — Artur in Revue du droit public 17 (1900) p. 236 v. b. zegt dat in Frankrijk de rechter, daargelaten den recours pour excès de pouvoir, geen bevelen mag geven aan de administratie ten opzichte van handelingen in haar funktie; deed hij het, dit zou evenzeer inbreuk maken op den werkkring der administratie, als indien de rechter zelf tot een administratieve akte overging. En dus, vervolgt Artur, is de bevoegdheid

Sluiten