Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

672

Inleid, wet R. O. — Alg. Begins. XIX.

des rechters om te bevelen veel geringe;- tegenover de administratie dan tegenover partikulieren. Zoo ook 1.1. p. 243. Vgl. voorts G. Jèze in dezelfde Revue 30 (1913) p. 458- 462, 470 475.

Voor Oostenrijk vgl. R. Pollak in Grünhut's Zeitschr. f. d. Priv. u. öff. Recht 30 (1903) p. 376 v. b. ja. p. 379. Zie ook p. 380 aldaar.

In de hier volgende nos. 2—10 wordt gesproken van onmiddellijke gebondenheid der administratie aan de uitspraak des rechters, en van diens bevelen aan de administratie. Vgl. ook J. G. L. Nolst Trenité in R. Mag. 19 (1900) p. 301—302. Ten opzichte van de middellijke gebondenheid der administratie aan hetgeen voor partijen bij vonnis is beslist, zie hierna nos. 11 en 12 in verband met p. 338 hiervóór. Aldaar is niet, gelijk hier in nos. 2 — 10, het geval bedoeld dat het vonnis, zij het slechts implicite, inhoudt een bevel aan de administratie, een als haar bindend beoogde uitspraak omtrent haar verplichtingen.

2. De noodzakelijke onderstelling voor het recht van den burgerlijken rechter om aan een openbaren ambtenaar het verrichten eener ambtshandeling te bevelen, is een hiermee overeenstemmende plicht van dien ambtenaar om aan dat bevel te gehooi zamen. Die verplichting kan, zoowel waar de ambtenaar in het geding is geroepen, als — en nog veel meer ') — waar dit niet het geval was 2), alleen ontstaan uit de stellige oplegging daarvan bij icet of wettelijke verordening. Ten opzichte van den hypotheekbewaarder volgt dit ook hieruit dat het B. W. en het Wetb. v. B. Rv. verschillende voorschriften bevatten, den burgerlijken rechter aanwijzend als bevoegd om hem bepaalde bevelen te geven 3). Dus mag die rechter een hiertoe niet

!) Deze woorden komen voor in het arrest van 1905, niet in dat van 1910. liet arrest van 1911 vermeldt enkel den buiten het geding staanden ambtenaar.

-) Zie over het onderscheid tusschen deze twee mogelijkheden, Lafeiihière 1.1. Ie ed. p. 460-4G2, 2e ed. p. 509-511. — Vgl. ook hiervóór p. 338.

3) Behoort hiertoe niet ook art. 1239 B. W.? Bb. Zutphen 16 Febr. 1911 W. 9194 meende den hypotheekbewaarder de doorhaling eener hypotheek niet te mogen gelasten. De bewaarder was toen geen partij in het proces. Dit

Sluiten