Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

674

Inleid, icet R. O. — Alg. Begins. XIX.

wet het niet verbood, de Rechtbank bevoegd was te gelasten datgene, wat voor de uitwerking harer uitspraak noodig was. — Tenzij men aan art. 1268 B. W. een ruimer uitlegging geeft dan zijn woorden meebrengen, kan dit vonnis, naar het schijnt, slechts op grond van bovengenoemd art. 3 lid 2 Kon. Besl. van 1838 Stbl. 27 worden geacht niet te strijden met de geciteerde jurisprudentie van den Hoogen Raad.

Anclers dan de H. R., en den hypotheekbewaarder bevelend door te halen de inschrijving van een executoriaal beslag, respektievelijk van een conservatoir beslag na faillissement: Rb. Amst., vonnissen van 1 Maart 1905 W. 8226 (zie aldaar de aanteekening bij dit vonnis; vgl. ook Alg. Begins. III no. 2 jo. no. 1), en van 28 Nov. 1899 W. 7456, het laatste op dit punt bevestigd door Hof Amst. 7 Dec. 1900 W. 7594, W. v. N. R. 1654. In 1905 was de ambtenaar partij in het geding, in 1899/1900 niet.

Vgl. ook Rb. Tiel 22 Febr. 1884, p. 664 geciteerd, aldus overwegend: Met het oog op het onafscheidelijk verband, door het Kon. Besl. van 1 Aug. 1818 Stbl. 52 en de voorschriften betrekkelijk de instelling van het kadaster gelegd tusschen een overgeschreven akte van eigendomsoverdracht en den kadastralen ligger, moet het toekennen eener burgerlijke rechtsvordering tegen den bewaarder der hypotheken bij art. 1268 B. W. in ï uimen zin worden opgevat, zoodat die vordering evenzeer kan worden gericht tegen den bewaarder van het kadaster. Dus is de rechterlijke macht competent in den eisch van een pretens giondeigenaar tot het bevelen aan laatstbedoelden bewaarder om de kadastrale te-naamstelling van zijn perceel te veranderen. En die vordering is, aldus de Rechtbank, ontvankelijk, als ten doel hebbend een veroordeeling van den bewaarder te verkrijgen om iets te doen, zonder dat er daarbij sprake is van tenuitvoerlegging van het vonnis. — Vgl. verder Rb. Utrecht 8 Juni 1910 W. 9071, W. v. N. R. 2142, een bevel gevend aan den hypotheekbewaarder, dat niet direkt steunde op de wet (art. 185 B. Rv.), doch op haar analogische uitbreiding.

Rb. Winschoten 6 Okt. 1914 N. Jur. 1914 p. 1242 nam aan

Sluiten