Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet R. 0. — Alg. Begins. XIX.

677

omdat zijn bevel niet zou kunnen worden geëxecuteerd. Dit laatste argument (door de Rechtbank terecht van gelijke kracht geacht, nu genoemde bepaling wèl bestond) legt m.i. geen gewicht in de schaal; zie ook Lafekrièke, in no. 1 geciteerd, 2e ed. p. 509, le ed. p. 460. Wel zou het mogelijk zijn dat eischer niet veel aan het rechterlijk bevel zou hebben. Maar ook een gebod zonder sanktie, rechtmatig gegeven, verbindt rechtens; vgl. o.a. A. A. H. Struycken (p. 153 geciteerd) p. 58—59, 63—64 en 68. En zulk een gebod zou, juist waar zooals hier, gedaagde is een provincie, van wie mag worden verwacht dat zij de rechterlijke uitspraak niet zal negeeren, — ook van praktisch belang kunnen zijn, vooral in de onderstelling van het O. M. dat de meergenoemde bepaling in het provinciaal reglement niet voorkomt. Echter — en in zóóver moet m.i. met het O. M. worden ingestemd — ontbreekt in dit geval een speciaal wettelijk voorschrift, waarop het rechterlijk bevel zou steunen; wat óók zoo is, als men aanneemt dat de bedoelde bepaling, wèl in het reglement opgenomen, enkel betrekking heeft op vonnissen over de vraag, wie eigenaar is en dergelijke (vgl. p. 390).

Nu zou men het voor een rechterlijk bevel als waarvan hier sprake is noodige wettelijk voorschrift kunnen gelegen achten in de bepalingen van het B. W. over den eigendom, als men n.L, met het O. M. in deze zaak, aanneemt dat de provincie, ten onrechte een weg op den ligger plaatsend, zich daardoor een recht aanmatigt, en zoodoende inbreuk maakt op eischers eigendomsrecht. Maar dit punt is kwestieus; zie p. 392 sub f ja. p. 94 ')• Ook lette men hierbij op de in 't vorig no. 2 bedoelde casuspositie: matigt de bewaarder der hypotheken en van het kadaster zich een recht aan bij een onjuiste te-naamstelling?

!) Vgl. do analogie èn met liet geval berecht door Rb. Rott. 21 Okt. 1912 N. Jur. 1913 p. 243 (het beletten van bouwen is inbreuk op den eigendom, het verbod er toe niet) èn met de kwestie bij het bezit over de mogelijkheid van z.g. trouble de droit. — Echter kan uit de bepalingen van het betrekkelijk reglement volgen dat plaatsing op den ligger naar haar strekking' den eigendom aantast; vgl. Rb. Utrecht 11 Mei 1910 en H. R. 13 Maart 1914, p. 679 te citeeren.

Sluiten