Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, reet R,. O. - Alg. Begins. XIX.

681

De toekenning van pensioen aan eervol ontslagen gemeenteambtenaren geschiedt door den Gem.-Raad; de beslissing, of in elk bizonder geval al dan niet pensioen moet worden verleend, behoort tot de attributen van dien Raad, als alleen bevoegd om te beoordeelen of tot liet geven van pensioen al dan niet genoegzame grond bestaat. Deze geheele handeling is mitsdien een daad van administratief bestuur, en derhalve is, in geval van weigering der toekenning van zoodanig pensioen, de rechter niet bevoegd in een beoordeeling daarvan te treden en in de plaats van den Raad pensioen te verleenen, of wel dien Raad te veroord eelen en daardoor te noodzaken een ontslagen gemeenteambtenaar als rechthebbende op pensioen te erkennen. — Zoo H. R. 28 Okt. 1870 W. 3263, R.spr. 96 § 16, v. d. Hok. B. R. 35 p. 113, G.st. 1000, W. B. A. 1116, waarbij vgl. Rb. Amst. 13 Juni 1893 P. v. J. 1893 no. 69. — Vgl. nu wet 1913 Stbl. 301.

O. Insgelijks kan als een toepassing, mede van het in no. 2 bedoelde beginsel, worden beschouwd de overweging van Hof Amst. 15 Febr. 1901 W. 7642, P. v. J. 1901 no. 46 dat langs civielrechtelijken weg wijziging eener spoorwegdienstregeling, vastgesteld door den Minister van Waterstaat, wegens het karakter dier regeling, niet is te verkrijgen.

Vgl. ook het p. 54—55, 421, 423 en 446 geciteerde vonnis Rb. Rott. van 7 Dec. 1874. Had de Rechtbank zich competent geacht, dan zou zij toch het gevraagde bevel aan het gemeentebestuur om aan eischer een rooilijn te bepalen overeenkomstig de grens van zijn erf, niet hebben mogen geven. — Hetzelfde geldt van het aan Rb. Maastr. (vonnis van 11 Jan. 1856, zie p. 410 en 548) gevraagde bevel tot amotie door de gedaagde gemeente van hetgeen deze op eigen grond had gebouwd, tengevolge waarvan eischers licht en uitgang op de openbare straat zou zijn belemmerd. — Zie voorts Rb. Leiden 20 Okt. 1846, p. 443 aangehaald. Vgl. verder K. B. 3 Maart 1836 Stbl. 6. — Zie mede de jurisprudentie, vermeld sub Alg. Begins. IX nos. 25, 28 en 30. Bij het aldaar (p. 47) geciteerde vonnis Rb. Amst. van 20 Maart J896 W. 6812 vgl. J. A. Levy in "W. 6815 p. 4, met aanteeke-

Lkon: Rechtspraak', 3e Druk, Deel II, afl. 1 43*

(Mr. L. van Praag, Recht. Org.)

Sluiten