Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

684

Inleid, wet R. O. — Alg. Begins. XTX.

Bi] het voorafgaande vgl. ook Pres. Rb. 's Grav. 5 Sept. 1910 W. 9044, W. B. A. 3197, W. v. N. R. 2129 (vgl. W. 9051 p. 4 en 9060 p. 8), de zooeven gestelde vraag implicite in laatstbedoelden zin beantwoordend, terwijl Pres. Rb. 's Grav. in de beslissingen van 11 Febr. 1911 W. 9111 en van 3 Juni 1911 W. 9219, uitdrukkelijk de omgekeerde oplossing voorstond. Juist hierom werd de eerste dezer twee beslissingen vernietigd door Hof 's Grav. 22 Mei 1911 W. 9219. Insgelijks achtte Pres. Rb. Amst. 2 Maart 1914, vermeld bij Caroli 1.1. II (1915) p. 399—401, zich bevoegd te gelasten dat een gemeente, optredend krachtens art. 180Gem.wet, van verdere handelingen als die bij dagvaarding omschreven, of soortgelijke, op eischers erf zich onthoude. Zie voorts Pres. Rb. Dordt 20 April 1910 W. 8991, W. v. N. R. 2113, van meening dat wel de burgerlijke rechter onbevoegd is een veto uit te vaardigen tegen bestuursdaden van het administratief gezag, doch alleen indien en voorzoover dat gezag zich beweegt binnen de perken van de wetten en reglementen, waaraan het zijn bevoegdheid ontleent, en dus niet in het geval eener voorgenomen parate executie, die moest steunen op art. 14 wet 20 Juli 1895 Stbl. 139, doch geschiedde ter uitvoering eener bepaling in een waterschapskeur, waarvan de Pres. aannam dat zij niet toepasselijk was. Vgl. de procedure, beslist door Hof 's Hertog. 18 Febr. 1913 W. 9445. — Vgl. ook; het volgend no. 9.

S>. Art. 2 R. O. legt aan de rechterlijke macht als orgaan van het staatsgezag tot taak op voor de handhaving der burgerlijke rechten te waken. Zij heeft, dit doende, te geven die beslissingen, welke de wet te harer beschikking stelt. Hieruit volgt dat onjuist is de bewering als zou de rechterlijke macht nooit handelingen door organen der overheid als zoodanig verricht kunnen te niet doen, een stelling, waarvoor trouwens elk bewijs ontbreekt. Art. 2 R. O. is dus geschonden door een vordering in het bezitrecht niet-ontvankelijk te verklaren enkel op grond dat het gedaagde polderbestuur handelde ter uitvoering van een besluit door dat bestuur binnen den formeelen kring zijner bevoegdheid genomen. — Zoo H. R. 7 Mei 1915 W. 9828,

Sluiten