Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet R. O. — Alg. Begina. XIX.

687

tredend op hem verboden terrein. Maar van dit treden op verboden terréin kan enkel sprake zijn, waar bet geldt een bestuursdaad, geen inbreuk makend op een recht, dat onderwerp is van 's rechters competentie ; alleen dan zou de rechter de uitspraak hebben af te wachten van dengeen, die bij uitsluiting over de rechtmatigheid van zulk een bestuursdaad zou hebben te oordeelen, om op die uitspraak de zijne te doen rusten, en ontbreekt zij, de vordering met-ontvankelijk moeten verklaren; vgl. p. 510 jis. p. 244—245. Betreft het een inbreuk op burgerlijke rechten, dan is de administratie ook gebonden aan de rechterlijke uitspraak, evenals elk ander gedaagde ')■ Als art. 2 R. O. mede omvat geschillen, waarin de administratie partij is, dan volgt daaruit dat ook zij zich heeft te onderwerpen aan de uitspraak der rechterlijke macht. Deze laatste oefent dan metterdaad in zoover administratieve rechtspraak uit, als gevolg van de (hier als juist onderstelde) ruime uitlegging te geven aan de bepalingen omtrent haar competentie (art. 2 R. O.) en omtrent haar materieele verhouding tot partikulieren (artt. 585 vlgg., 625 vlgg. en 1401 vlgg. B. W.) 2).

Mutatis mutandis is ook hier het op p. 509 opgemerkte van toepassing. Terwijl het bij de administratieve rechtspraak in den aard der zaak ligt dat de rechter aan de administratie het z. i. haar door de wet in abstracto gegeven bevel inscherpt voor het konkreete geval (vgl. ook v. Idsinga, De Admin. Rechtspr. p. 179 nt. 2), — geldt dit, onverschillig door wien die administratieve rechtspraak wordt uitgeoefend. Dus ook, als het geschiedt door de gewone rechterlijke macht, wat het geval is, op grond of van een speciale bepaling, of, gelijk gezegd, van de algemeene van art. 2 R. O., bij de ruime beteekenis aan dit artikel door

1) Vgl. hierbij Rb. Gron. -14 Maart 1862, vermeld op p. 445 ja. p. 442. Volgens de Rechtbank gold het toen geen inbreuk op een burgerlijk recht.

2) Dat over de strekking dezer artikelen in bedoeld opzicht onder de schrijvers groot verschil van meening bestaat is bekend. Vgl. laatstelijk J. Oppenhëw, Ned. Gem.recht I, 4» ed. (1913) p. 849 -885, P. Sciioi.ten in W. v. N. R. 2149, 2156, 2157, en L. v. Praag 1.1. 2276.

Sluiten