Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet R. 0. — Alg. Begins. XIX.

698

als de rechter, waar de wet zwijgt, uitspraak mag doen naar hetgeen hij rechtvaardig acht, dan kan deze eventualiteit zich ook tegenover de administratie voordoen, zij het minder vaak dan tegenover partikulieren. Dit laatste vooral omdat de administratie, vat zij haar taak juist op, niet alleen zelf naar rechtvaardigheid zal trachten, maar daarvan ook minder dan partikulieren wordt afgehouden door redenen van eigen belang (vgl. p. 568 en nt. 2 aldaar). Onrechtvaardig optreden der administratie is echter geen onmogelijke onderstelling ').

Omtrent de boven gestelde vraag worde hier nu enkel het volgende in het midden gebracht. Voor haar ontkennende beantwoording zijn wèl utiliteitsredenen aan te voeren — vgl. o. a. Stier—Somlo (p. 461 hiervóór geciteerd) p. 481—488,513—514 — maar niet deze dat de rechter, aan de administratie bevelen gevend die niet uit een bizonder wettelijk voorschrift voortvloeien, zich boven haai- stelt. In het hier bedoelde geval blijft zijn uitspraak rechtspraak, d. w. z. niet naar eigen goedvinden of willekeur legt hij zijn wil op, maar hij spreekt met bindend gezag uit hetgeen z. i. rechtens is in het gegeven geval, hier dan niet naar geschreven recht, maar naar de eischen der gerechtigheid volgens zijn rechtsbewustzijn of rechtsgevoel. Daarmede kunnen anderen het misschien niet eens zijn, maar die mogelijkheid is ook aanwezig bij de rechtspraak tusschen partikulieren 2). Wel staat deze niet geheel op één lijn met de rechtspraak, waarbij de administratie betrokken is, wier optreden steun vindt in overwegingen van algemeen belang. Maar, gesteld dat de rechter deze als zoodanig heeft te eerbiedigen (vgl. p. 580—581 hiervóór), met die eerbiediging is in beginsel niet in strijd een rechterlijke uitspraak, welke bedoeld optreden

!) Vgl. bij het hier in den tekst gezegde H. Krabbe in R. Mag. 30 p. 417—422, 427 v. b.—428.

2) Uitgegaan wordt hier weer van de onderstelling (daargelaten of zij juist is) dat tusschen partikulieren krachtens art. 13 wet Alg. liep. geoorloofd kan zijn rechtspraak naar hetgeen de gerechtigheid volgens des rechters inzicht meebrengt; vgl. hierboven.

Sluiten