Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet R. O. — Alg. Begins. XIX.

697

ongepast, hetzelfde moet gelden ten aanzien der zooeven bedoelde overweging ').

van Hamel, die tot de bestrijders van den Min. v. Oorlog behoorde, voerde bij wijze van vergelijking aan het geval dat iemand, terechtstaande wegens wederspannigheid tegen een Burgemeester, door den H. R, wordt ontslagen van rechtsvervolging op motief dat de Burgemeester niet was in de rechtmatige uitoefening zijner bediening. Hij vroeg of, als de Burgemeester dan den Commissaris der Koningin zou verzoeken te verklaren dat hij, Burgemeester, wèl in bedoelde rechtmatige uitoefening had verkeerd, — de Commissaris ooit zulk een verklaring zou willen geven. Meent men met van Hamel dat dit inderdaad niet zou geschieden, dan kan die meening eenvoudig hierop steunen dat de Commissaris zulk een officieele kritiek op een rechtsoverweging van den H. R. als ongepast zou weigeren, zonder dat men behoeft toe te geven dat zij ook juridiék ongeoorloofd zou zijn. Terecht overigens in. i. zette Tydeman (1.1. p. 1802) uiteen dat de twee gevallen niet gelijk stonden. Die gelijkheid zou buitendien ook daarom kunnen worden ontkend, omdat, ook al zou men (m. i. ten onrechte) wèl juridieke gebondenheid van het administratief gezag aan een rechtsoverweging van den H. R. als cassatie-rechter aannemen, ditzelfde dan nog niet óók zou behoeven te gelden voor den Min. v. Oorlog ten opzichte eener overweging van den disciplinairen militairen rechter, al beheerschte deze overweging het dictum. Hierop dat de Min. v. Oorlog aan die overweging juridiek niet gebonden was, werd de nadruk gelegd in de nola Sabron (Bijlagen 1.1. sub 11a p. 58 kol. 1 v. o.),

J) Wel te verstaan als de door het administratief gezag geuite zienswijs metterdaad, en niet enkel schijnbaar, afwijkt van de overweging of van de uitspraak zelf. — Er kon wel worden beweerd dat in de boven aangeduide zaak de afwijking meer schijn was dan werkelijkheid; vgl. de overweging van het Hoog Milit. Ger. Hof, geciteerd in Milit.-rechtelijk Tijdschr. 6 p. 62 v. o. en in Bijl". Hand11. Tweede Kamer 1.1. sub no. "11a (p. 62 kol. 2 v. o.) alsmede de voorstelling door den Minister Cool in de stukken en bij de debatten in deze zaak gegeven. Echter blijkt uit de nota van zijn ambtsvoorganger (Bijln. 1.1. sub no. '1 la |> 5 8 kol. Ij dat deze wel degelijk de overweging van het Hof onjuist achtte.

Léon: Rechtspraak, 3e Druk, Deel XI, afl. 1 44"

',Mr. L. van Praag, Hecht. Org.)

Sluiten