Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet R. 0. — Alg. Begins. XX.

699

deze voor het overgangsrecht meebrengt, zie R. Mag. 1912 p. 129—131 (no. 16) i. v m. 1.1. p. 107—129 (nos. 7—J5).

B. Processen aangevangen onder de nieuwe competentiewet.

3. De nieuwe wet moet in deze gedingen worden toegepast, zelfs dan, als de feiten, welke er aanleiding toe gaven, plaats hadden vóór de invoering dier nieuwe wet. In dien zin luiden de volgende beslissingen :

a. Voor strafzaken.

Het beginsel der eerbiediging van verkregen rechten, gehuldigd in art. 4 wet Alg. Bep., artt. 1 en 52 Overg.wet [van 1829] en art. 1 Swb. brengt wel mee dat iemand wegens feiten, begaan vóór de invoering eener nieuwe wet, die daarop straf stelt, niet uit kracht dier wet straf kan beloopen, — doch niet dat er voor hem zou zijn een verkregen recht om terecht te staan volgens de rechterlijke inrichting of indeeling (en procesvormen), van kracht toen het feit werd begaan. De later ingevoerde wet moet gelden voor de bevoegdheid (en procesvormen) in alle strafgedingen, aangevangen na haar invoering, onverschillig wanneer de feiten, waarvoor vervolgd wordt, plaats hadden. — Zoo H. R. 21 April 1890 W. 5870, R.spr. 154 § 53, v. d. Hon. •T. en V. 10 p. 291, P. v. J. 1890 no. 63.

b. Buiten strafzaken is beslist dat, na afschaffing eener wetsbepaling, welke exceptioneele rechtsmacht opdroeg omtrent een bepaald punt, en dit hierdoor onttrok aan de rechterlijke macht, deze laatste, al gold het feiten, geschied onder de afgeschafte wet, nu het proces was begonnen onder de nieuwe wet, over het bedoelde punt mocht oordeelen. — Zoo H. R. 28 Nov. 1862 W. 2435, R.spr. 72 § 33, v. d. Hon. B. R. 27 p. 110, G.st. 684, W. B. A. 586, casseerend Rb. Tiel 21 Febr. 1862 W. 2382, G.st. 561, W. B. A. 680. Ygl. H. R. 3 Febr. 1860 W. 2145, R.spr. 64 § 14, G.st. 441 ').

Voor hetgeen ter motiveering der boven aangehaalde juris-

!) Vgl. ook nog R. Mag. 1912 p. 420 nt. 2.

Sluiten