Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

700

Inleid, toet R. 0. — Alg. Begins. XX.

prudentie kan worden aangevoerd, zie R. Mag. 1912 p. 423—425 (no. 17), en voor de buitenlandsche litteratuur en jurisprudentie op dit punt 1.1. p. 426 v. o.—429 (no. 19) '). Vgl. voorts 1.1. p. 95—102 (no. 4) i. v. m. 1.1. p. 428 v. o.—429 (no. 20) over het in litteratuur en jurisprudentie vaak voorkomende onjuiste gebruik van den term „terugwerkende kracht en over de beteekenis dezer woorden in ons art. 4 wet Alg. Bep. 2).

3. Over de vraag, wat zonder overgangsbepaling rechtens zou zijn bij invoering van art. 2b R. O. naar Ontw. II Adm. Rechtspr. en van art. 15 Ontw. I, zie R. Mag. 1912 p. 432 —436 (no. 22). Het 1.1. p. 433—436 gezegde over de noodzakelijkheid hier uiteen te houden competentie en ontvankelijkheid van klacht of vordering, is van algemeene strekking.

4. Over de werking van overeenkomsten rakende de rechterlijke competentie, aangegaan onder de oude, na invoering der nieuwe competentiewet, zie R. Mag. 1912 nt. 1 op p. 425 426. De daar bedoelde kwestie, die zich na de wijziging van art. 39 no. 3 R. O. voordeed, gold het beding in een vóór 1 Febr. 1909 gesloten contract, sedert dien datum beheerscht doorartt. 1637a en vlgg. B. W., — dat partijen bij uit de overeenkomst voortspruitende geschillen zich zouden wenden tot een bepaald aangeduide Arrond.-Rechtbank. Na 1 Febr. 1909 rees er een geschil, waarop zonder die clausule het nieuwe art. 39 no. 3 R. O. ongetwijfeld toepasselijk zou zijn geweest, terwijl het geding, ware het vóór genoemden datum aangevangen, niet zou zijn gevallen in de termen van art. 39 no. 3 oud. De vraag die ook in de toekomst nog kan voorkomen — was nu, o.l de zaak moest worden gebracht bij den Kantonrechter krachtens de nieuwe wettelijke competentiebepaling, dan wel ingevolge het

1) Vgl. 1.1. p. 429—432 (no. 21) over het geval van wijziging in het grondgebied van den Staat nadat de feiten voorvielen, welke aanleiding gaven tot het proces, dat na die wijziging wordt aangevangen.

2) Vgl. mede de opmerking 1.1. p. 100 nt. 2 i. f. in verhand met de daai aangehaaUle oudere Nederlandsche jurisprudentie.

Sluiten