Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

704

Inleid, wet R. O. — Alg. Begins. XX.

Dit is vooral van belang, als in oude of nieuwe wet, of wel in beide, de competentie wordt geregeld niet enkel naar den inhoud der dagvaarding, doch mede naai' andere omstandigheden, hetzij dat dit is een latere gebeurtenis (vgl. artt. 38 no. 2 en 41 R. O.), hetzij dat zeker wettelijk vereischte voor de competentie, noodig is niet slechts voor haar ontstaan, doch óók voor haar voortduren. Zie daarover R. Mag. 1912 p. 470 v. o.— 474 v. b. (no. 39).

SO. Ten opzichte der competentie van den rechter, bij wien een voorziening tegen een vonnis wordt ingesteld, naar overgangsrecht, vgl. R. Mag. 1912 p. 474—475 (aanhef van no. 40). Zie voorts aldaar p. 475—476 over het arrest H. R. van 16 Sept. 1840 W. 122 p. 4 (jo. W. 94), v. n. Hon. G. Z. 1 p. 179 ').

11. In W. 8729 p. 4 stelde v. E. de vraag wat, buiten het geval van art. 81 der Tiendwet van 16 Juli 1907 Stbl. 222, moest geschieden met op 1 Jan. 1909 bij een Rechtbank aanhangige processen over tiendrecht. Hij werd beantwoord door A. J. F. in W. 8731 p. 3. Ygl. op dit punt R. Mag. 1912 p. 478—479 (no. 41). Zie daarbij H. R. 25 April 1913 W. 9500 (met J. \\ . M.'s aanteek. I 1.1.), N. Jur. 1913 p. 769, en Hof 's Grav. 28 Okt. 1912 W. 9456, N. Jur. 1913 p. 227.

§ 2.

Invloed van verandering der wetgeving op de samenstelling der gerechten.

18. Ten deze schijnt het meest te zijn te zeggen voor het dadelijk toepasselijk worden der nieuwe wet ook bij reeds aanhangige gedingen, indien een overgangsbepaling ontbreekt; zie R Mag. 1913 p. 235—236 (no. 42) -').

1) Over kwesties, die in verband met dit arrest kunnen worden opgeworpen bij wijziging van het grondgebied van den Staat, vgl. R. Mag. 1912 p. 476—478.

2) Bij de 1.1. p. '236 nt. 1 genoemde wetsbepaling is thans nog te voegen art. 27 wet 31 Okt. 1912 Stbl. 337.

Sluiten