Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet R. O. — Alg. Begins. XX.

707

baarheid van vonnissen voor nadere, voorziening, — zelf onveranderd blijft, terwijl wijziging wordt gebracht in de omstandigheden, welke ingevolge bedoelde wet vereischt zijn voor die competentie of vatbaarheid van het vonnis voor nadere voorziening. Hier is enkel bedoeld het geval dat voormelde wijziging plaats heeft door wetsherziening. „Wet" dan te nemen in den ruimen zin van „omne quod legis habet vigorem".

Vooropgesteld moet worden dat het geheel afhangt van de wet zelf, welke competentie, appellabiliteit, enz. regelt — op welk oogenblik de door haar als vereischten gestelde omstandigheden aanwezig moeten zijn. Die omstandigheden zijn in hoofdzaak van tweeërlei soort. Ze kunnen ten eerste zijn van materieelrechtelijken aard, zoodat zij, behalve voor de competentie, óók en voornamelijk belang hebben voor de beslissing van het fond der zaak. En in de tweede plaats kan de wet wijziging hebben gebracht in de territoriale indeeling der gerechten. Over dit laatste zie hierna onder B.

15. Vooral ten aanzien eener wettelijke wijziging van materieelrechtelijke omstandigheden, van invloed op competentie of vatbaarheid van een vonnis voor nadere voorziening, is in het oog te houden dat het bij beantwoording der vraag naar bedoelden invloed allereerst aankomt op de uitlegging der wet, die

wet van '23 Dec. "1837 Stbl. 78 (Voorduin, Gesch. en Begins. 16 p. '288—289) dat het tijdstip van hot instellen eener voorziening beslissend zou zijn voor de vraag naar de wet, volgens welke de toelaatbaarheid dier voorziening is te beoordeelen. L.l. no. 47 de opinie van A. de Pinto, Handleid. Wet Overgang (1850) p. 69, en van A. A. de Pinto, Suppl. op J. D. Meijer, Questions Transitoires, 2e éd. (1858) no. 41 p. 149, alsmede die der meeste Fransche schrijvers en jurisprudentie, dat het oogenblik van het wijzen van het aan te vallen vonnis maatstaf moet zijn. ^ gl. verder de verdediging dezer zienswijs in no. 48, speciaal voor de gewone rechtsmiddelen. No. 51 over het geval van wijziging van het staatsgebied. No. 52 over de z.g. buitengewone rechtsmiddelen (requestciviel, verzet door derden, revisie in strafzaken). No. 53 over de vragen, die men in een proces ten deze zich successievelijk heeft voor te leggen, en no. 54 over art. 30 Inv.wet Swb. 1880 Stbl. 04, alsmede over de wet van 20 Juni 1908 Stbl. 207 ten aanzien der appellabiliteit.

Sluiten