Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet R. O. — Alg. Begins. XX.

709

bedoelde bepaling aangewezen wet, — dan zal ter beoordeeling of gemelde omstandigheid aanwezig is, moeten worden gerecurreerd naar de wet, die volgens de regelen van het transitoire materieéle recht is toe te passen door den rechter, welke het fond der zaak heeft te beslissen. Bij die uitspraak toch over het fond der zaak heeft hij de zooeven aangeduide omstandigheid te beoordeelen naar de wet, die in aanmerking komt volgens de zooeven bedoelde regelen van transitoir materieel recht. Indien nu niet naar diezelfde regelen de hier bedoelde kwesties zouden worden opgelost, dan kwam men te staan voor de anomalie, die het boven in no. 15 vermelde arrest H. R. van 1894 onaannemelijk oordeelde: het gaat niet aan een gevolg eener wetsbepaling, welke terecht niet wordt toegepast, te verbinden met een bepaling, welke terecht wordt toegepast, waarmede dat gevolg niet is verbonden. — Zie nader R. Mag. 1913 p. 259—262 (no. 58).

B. Invloed van w ij z i g i n g der territoriale indeeling van de gerechten op hun competentie.

18. In het hier volgende wordt ondersteld dat de competentiewetgeving zelf onveranderd blijft, al kan verandering in de territoriale indeeling samen gaan met die der competentiewet, voor welk geval zie hierboven § 1. — Blijft de competentiewet ongewijzigd, dan is in de eerste plaats naar haar te beoordeelen, welken invloed de verandering in de indeeling heeft op's rechters competentie, zoowel in eersten aanleg als in een latere instantie.

Wordt een geding eerst aanhangig na het in werking treden der wijziging van de rechterlijke indeeling, dan ligt het voorde hand dat deze dadelijk haar invloed doet gelden, zoowel in civiele als in strafzaken.

Voor deze laatste vergelijke men H. R. 21 April 1890, geciteerd hierboven in no. 2 sub a, sprekend van „rechterlijke inrichting of indeeling", — en verder Ktg. Noordwijk 12 Sept. 1855 W. 1691, beslissend dat de territoriale competentie afhangt

Sluiten