Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

718

Inleid, wet R. 0. — Alg. Begins. XXL

Voor de Nederlandsche litteratuur en jurisprudentie over het watergebied, vooral over de territoriale zee, over den aard der bevoegdheden, den oever-Staat aldaar toekomend, en over haar geographische grenzen, zie men L. E. Visser, De territoriale zee, diss. Utrecht 1894; C. W. Margadant, Het Regeeringsreglement van Ned.-indië III (1897) p. ^37—443 ; Ph. Kleintjes, Het Staatsrecht van Ned.-Indië, 2. ed. I (1911) p. 52—56; de Louter, ... Volkenrecht I p. 390—399; J. J. C. den Beer Pöortugael, Het internationaal maritiem recht (1888) p. 53—88; J. H. Ferguson, Manual of Internat. Law (1884) I p. 399 — 401 ; J. H. Tasset, De volkenrechtelijke uitzonderingen van art. 8 Wb. v. Sr., diss. Amst. 1892 p. 201 —211 ; G. A. v. Hamel in T. v. S. 10 p. 188—190, en denzelfde, Inleiding Ned. Strafrecht, 3. ed. (1913) p. 173—174. — Deze schrijvers vermelden nog andere litteratuur. — Over de kustlijn vgl. de nota van den kapitein ter zee Gregory, opgenomen in de concl. O. M. vóór H. R. 17 Mei 1864 v. d. Hon. Sr. 1864, noot op p. 137—138. — Vgl. voorts de jurisprudentie op art. 2 Swb. /aanteek. 1 in Het Wetb. v. Strafr., Rechtspr. en Ned. liter., 1910,, p. 9), speciaal Hof Amst. 19 Nov. 1898 W. 7254, P. v. J. 1899 no. 37, met de m. i. bedenkelijke overweging dat volkenrechtelijk gewoonterecht het Nederlandsche grondgebied niet zou kunnen bepalen. Vgl. ook de in deze zaak door den Adv.-Gen. Gregory genomen conclusie vóór H. R. 20 Maart 1899 W. 7259, R.spr. 181 § 46, v. d. Hon. Sr. 1899 p. 144, P. v. J. 1899 no. 72. — Overigens verwierp het Amsterdamsche arrest, m. i. terecht, de leer van de Lapradelle (zie hieronder) en aanvaardde die van L. E. Visser over de jurisdiktie van den oever-Staat ten aanzien van feiten, voorgevallen in zijn territoriale zee. — Verder vgl. H. R. 21 Dec. 1914 W. 9756, N. Jur. 1915 p. 376 (het slot van het arrest); Rb. Rott. 9 Febr. 1889 W. 5726, P. v. J. 1889 no. 71 ; Raad v. Just. Batavia 17 Juli 1874 W. 3760, Ind. W. 579, alsmede de arbitrale uitspraak van T. M. C. Asser d.d. 29 Nov. 1902 W. 7848.

De jurisdiktie van den oever-Staat, als naar volkenrecht erkend voor de in zijn territoriale zee voorgevallen feiten, wordt betwist

Sluiten