Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

720 Meid. wet R. 0. — Alg. Begins. XXL

droit internat, privé 1889 p. 548, a priori zeggen dat de volkenrechtelijke regels aangaande de immuniteit van jurisdiktie niet toepasselijk kunnen zijn op geheel of half onbeschaafde Staten (b.v. Abessinië), hun staatshoofden en gezanten. De gronden, waarop in het algemeen bedoelde immuniteit berust, gelden ook dan, en er zijn teekenen dat de Staten met West-Europeesche beschaving ook die van andere, wel of niet mindere beschaving, in de z.g. exterritorialiteit willen laten deelen. Vgl. op dit punt de in het vorige no. 3 geciteerde dissertatie van Tasset p. 154 v. b., alsmede de Engelsche jurisprudentie betreffende EngelschIndische potentaten, en de Fransche aangaande den Bey van Tunis en den Khedive van Egypte; zie Jur. D. I. P. nos. 184 en 187.

Omtrent de hier aangeroerde vraag vgl. Jur. D. I. P. no. 4, en aldaar no. 5 over de kwestie, of reciprociteit noodig is voor het gelden van een volkenrechtelijken regel, speciaal van jurisdiktie.

ft. Van het volkenrechtelijk gewoonterecht onderscheidt men de z.g. comitas gentium, welke, zoolang zij dien naam verdient, geen rechtsplicht meebrengt. Het gevolg daarvan is m. i. dat de Nederlandsche rechter niet op grond dier comitas b.v. immuniteit van jurisdiktie zal kunnen erkennen, al heeft o. a. het Openbaar Ministerie voor een strafvervolging casu quo er rekening mee te houden; vgl. Jur. D. I. P. no. 24. — Overigens heeft deze comitas of courtoisie de neiging over te gaan in gewoonterecht, en het kan soms zeer lastig zijn uit te maken of in het gegeven geval dit proces is voltooid. Zoo b.v. bij de rogatoire commissies, waaromtrent vgl. Jur. D. I. P. noot 201. en nader op art. 25 R. O. Vgl. ook, over de exterritorialiteit van een gezant in een derden Staat, Jur. D. I. P. no. 227.

Onze Hooge Raad heeft bij arresten van 24 Juni 1862 W. 2391 p. 2 kol 2—3, R.spr. 71 § 23, v. d. Hon. Sr. 1862 p. 227, R. B. 1863 p. 232, en van 28 Maart 1871 W. 3316, R.spr. 97 § 28, v. d. Hon. Sr. 1871 p. 55, het Fransche avis du Conseil d'Etat van 28 0kt./20 Nov. 1806 beschouwd als te zijn ontstaan „ex

Sluiten