Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet R. 0. — Alg. Begins. XXI.

721

coraitate juris gentium". Het is moeielijk uit te maken of de H. R. toen die comitas aanmerkte als volkenrectó {„juris gentium"), dan wel, ondanks zijn in dat geval onnauwkeurige terminologie, als een rechtens onverbindende gunst, in welk geval het woord „juris" te veel zou zijn. Dit is niet zonder belang, daar, sinds genoemd avis in Nederland als wet is afgeschaft, ook voor ons land de vraag is ontstaan of de inhoud van dat avis desniettemin moet worden in acht genomen als tevens die van een regel van volkenrecfó. Over deze vraag zelf hierna no. 41.

6. Over de vereischten voor het volkenrechtelijk gewoonterecht, zijn kenbronnen (o. a. over nationale wetten en jurisprudentie, alsmede de werken der schrijvers als zulke kenbronnen) en over zijn extensieve en restriktieve uitlegging, zie Jur. D. 1. P. nos. 7—15.

§ 2.

Invloed van het volkenrecht op de nationale jurisdiktie in burgerlijke zaken, huiten de z.g. exterritorialiteit.

A. In het algemeen.

9. In W. 8850 p. 7 kol. 3 sub 15° zegt D. J. Jitta dat in Nederland de grenzen der nationale rechtsmacht (jurisdiktie) moeten worden opgemaakt uit de wetsbepalingen op hetgeen men vaak noemt de absolute en relatieve competentie. Dit zal zóó zijn te verstaan dat uit de combinatie dier bepalingen de bedoelde grenzen moeten worden afgeleid. Daarbij treden dan echter de bepalingen aangaande de relatieve competentie op den voorgrond, omdat het hier allereerst aankomt op aanwijzing der plaatselijke omstandigheden, die. zullen meebrengen dat de rechter over de personen jurisdiktie mag uitoefenen. — Vgl. op dit punt nader Jur. D. I. P. no. 25. Zie aldaar ook over hetgeen geldt in Frankrijk, Duitschland en Oostenrijk. Vgl. voorts Kosters in R. Mag. 1914 Suppl. p. 35—37. — Wat Jitta's zooeven vermelde opvatting betreft, vroeger is zij, althans implicite, ook door onzen Hoogen Raad gehuldigd. Zie H. R.

46

Sluiten