Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

722

Inleid, wet R. 0. — Alg. Begins. XXI.

8 Jan. 1858 W. 1922, R.spr. 58 § 8, v. d. Hon. B. R. 22 p. 1, R. B. 1858 p. 114 ; H. R. 12 April 1861 W. 2269, R.spr. 67 § 53, v. d. Hon. B. R. 25 p. 144, en H. R. 20 Febr. 1891 W. 5995, R.spr. 157 § 20, v. d. Hon. B. R. 57 p. 74, P. v. J. 1891 no. 24 ■)• De jurisprudentie der lagere colleges (te vermelden op art. 9 wet Alg. Bep.; vgl. ook hieronder p. 726 ja. 727) is niet eenstemmig, maar volgde toch meestal de geciteerde arresten van den H. R. — De daarbij gevolgde zienswijze werd bestreden door A. P. Th. Eyssell, De regtsmagt over vreemdelingen (1864) p. 32—35, die volhield dat artt. 97 en 126 B. Rv. niet mede jurisdiktiebepalingen zijn, doch die voor art. 314 B. Rv. een ander standpunt innam, waaromtrent vgl. Themis 1864 p. 417 en N. Bijdr. 1865 p. 276. — De H. R. heeft zijn leer van 1858, 1861 en 1891 verlaten bij het arrest van 21 April 1911 W. 9174, R.spr. 217 § 54, W. v. N. R. 2191, overwegend dat art. 126 B. Rv. slechts dient tot verdeeling binnen 's lands van een aldaar reeds vaststaande rechtsmacht. Verder schijnt in 1911 deH. R., die in gemeld arrest uitdrukkelijk spreekt van al dan niet beschreven rechtsbeginselen ten aanzien eener buiten Nederland opengevallen nalatenschap, implicite ook voor de jurisdiktie (voorzoover afzonderlijke bepalingen daaromtrent niet zijn aan te wijzen) te zijn uitgegaan van het bestaan en van de bindende kracht van onbeschreven rechtsbeginselen. Want alleen zóó schijnt mij te verklaren hetgeen zooeven van het arrest van 1911 werd aangehaald omtrent een „reeds vaststaande rechtsmacht". (Vgl. hetgeen in Jur. D. I. P. p. 84 en hieronder wordt gezegd over het alternatief, aanwezig bij gemis aan eigenlijke jurisdiktiebepalingen : of de relatieve competentie-voorschriften zijn toe te passen als jurisdiktiebepalingen, of men moet uitgaan

!) Kosters 1.1. p 36 nt. noemt in dit verband ook het arrest H. R. van 21 Juni 1901 W 7611, R.spr. 188 § 33, v. d. Hon. B. R. 67 p. 415, P. v. .1. 1901 no. 58. Ten onrechte. Want het arrest van 1901 betrol' enkel de toepassing van art. 127 B. Rv. als jurisdiktie-bepaling en van art. 314 als competentie-voorschrift. Bij het arrest van 1891 was dat anders, doordien art. 127 toen niet toepasselijk werd geacht.

Sluiten