Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet R. O. — Alg. Begins. XXI.

725

aan dit recht van overdaging niet een afzonderlijk wetsartikel willen wijden, dan zou elk zuiver jurisdiktie-voorschrift in onze wetgeving worden gemist, en ware nog duidelijker de noodzakelij kheidj uitgekomen om de competentie-voorschriften mede voor de jurisdiktie te laten gelden.

Terwijl het in dit no. 7 vermeld arrest van den H. R. van 1911 implicite het bestaan van internationale jurisdiktie-regels schijnt aan te nemen, geschiedde hetzelfde uitdrukkelijk door Rb. Amst. 24 April 1839, geciteerd hiervóór in no. 1. Daarentegen overwoog Rb. Amst. 22 Dec. 1911 W. 9800 dat de vraag, welke rechter voor een gerezen geschil in een bepaald land competent is, ook van een internationaal standpunt uit gezien, behoort tot het gebied van een bepaalden Staat en zijn rechtssfeer. De bijvoeging in het vonnis: onafhankelijk; daarvan, of de aangewezen rechter op die zaak nationaal recht of dat van een vreemden Staat zal toepassen, doelt blijkens hetgeen in het vonnis voorafgaat op het materieele recht'). Het eerst geciteerde uit het vonnis ware misschien beter aldus geformuleerd : of voor een in een bepaald land gerezen geschil de rechter van dat land, en welke rechter daar competent is, — en verder: tot het gebied van dien bepaalden Staat en zijn rechtssfeer. — Vgl. ook het vonnis a quo, Ktg. IV Amst. 8 Juli 1910 W. 9048.

Bij het voorgaande zie nog 1°. over de mogelijkheid van concurreerende jurisdiktie bij verschillende Staten aanwezig, en over de in de internationale praktijk ter zake der civiele jurisdiktie gevolgde beginselen, Jur. D. I. P. nos. 28 en 29; — 2°. over de noodzakelijkheid ten deze wèl te onderscheiden tusschen

in het stelsel onzer wetgeving, welke, in tegenstelling tot, de Fransche (arlt. 14 én 15 G. C.) de nationaliteit overigens niet tot toetssteen neemt voor de jurisdiktie. Vgl. Kosters 1.1. |>. 31- 33. Ten onrechte m. i meent deze p. 33, dat Rb. 's Grav. 10 Apr. 1913 W. 9522 op dit punt de leer van Eyssell huldigde. De Rechtbank bedoelde met de door Kosteks aangehaalde! woorden kennelijk niet: rechtspraak in beginsel uitsluitend over nationalen.

i) Vgl. Hof Amst. 31 Dec. 1908 W. 8852, P. v. J. 839, Ktg. Rott. 28 Dec. 1914 W. 9795 en Jur. 1). I. P. no. 31 j0. no. 20. Vgl. mede Kosters 1.1. p. 56—58.

Sluiten