Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet R. O. — Alg. Begins. XXI.

729

arrest van hetzelfde Hof d.d. 3 April 1906 P. v. J. 573, bevestigend Rb. Rott. 28 Nov. 1904 W. 8278, P. v> J. 1.1. Voorts Hof Arnhem 23 Dec. 1903 W. 8043, W. v. N. R. 1794, en het vonnis a quo, Rb. Zutphen 27 Nov. 1902 W. 7871, W. v. N. R. 1740. Vgl. ook Hof N.-Holl. 30 Mei 1861 W. 2299. De daarbij vernietigde beslissing van Rb. Haarlem 13 Nov. 1860 W. 2249 steunde niet hierop dat het geschil betrof den staat der personen.

Zie nog voor wijzigingen in den persoonlijken staat, die volgens onze wet buiten rechtsgeding behooren te geschieden : Hof Amst. 21 Juni 1915 N. Jur. 1915 p. 1037, W. v. N. R. 2394 (art. 374/; B. W.); Hof Utrecht 26 Jan. 1863 W. 2455, R. B. 1864 p. 290 (onder-curateele stelling; er was toen bij dagvaarding geprocedeerd); voor voogdij : Rb. Arnhem 2 Febr. 1903 W. 7926, W. v. N. R. 1756, en Rb. Breda 20 Dec. 1898 W. 7309, W. v. N. R. 1561.

Daarentegen nam Rb. Utrecht 16 Jan. 1889 W. 5689 (contra O. M.: W. 5805), P. v. J. 1890 no. 46, W. v. N. R. 1115 aan dat het huwelijk van een Nederlander alleen door den Nederlandschen rechter kon worden ontbonden. — Vgl. ook voor een benoeming tot voogd Rb. Alkmaar 6 Sept. 1894 W. 6546, P. v. J. 1895 no. 19, W. v. N. R. 1291, met vernietiging van Ktg. Hoorn 13 Maart 1894 W. v. N. R. 1.1. Daarbij vgl. Ktg. Assen 9 Febr. 1899 W. v. N. R. 1526. — Rb. Arnhem 3 April 1905 W. 8220, W. v. N. R. 1859 betwistte niet de competentie van een vreemden rechter tot onder-curateele-stelling van een Nederlander, maar achtte die beschikking hier krachteloos.

Rb. Goes 10 April 1841, Het Regt in Nederland 3 p. 110 (111) nam aan dat uitsluitend de rechter van het domicilie van partijen mag beslissen over hun persoonlijken staat en bevoegdheden. Deze door de Rechtbank ten onrechte uit art. 6 wet Alg. Bep. afgeleide stelling is evenmin juist als die dat de nationaliteit van partijen hier de jurisdiktie bepaalt.

i 1. a. Nagenoeg algemeen is erkend dat geen Staat jurisdiktie heeft voor zakelijke vorderingen betreffende onroerend goed, op het gebied van een anderen Staat gelegen. Vgl. o. a. T. M. C. Asser (in no. 10 geciteerd) p. 100; Kosters 1.1. p. 90; R. Adv. 4 p. 14

Léon: Rechtspraak, 3e Druk, Deel II, afl. 1 46*

(Mr. L. van Praag, Recht. Org.)

Sluiten