Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet R. O. — Alg. Begins. X'XI.

741

art. 8, tegenover J. H. Sassen, Proeve... Overzicht van het B. W. (1827) p. 32* v. o. — Bij de schrijvers, in Jur. D. I. P. noot 542 aangehaald, die de ook nu nog voor de exterritorialiteit der gezanten geldende motieven aangeven, is voorts te voegen R. Adv. 4 p. 12—13, terwijl Ev. de Jonge (geciteerd hiervóór no. 2 sub a) p. 28—30 wordt weerlegd door hetgeen zoowel in Jur. D. L P. 1.1. als door de hier bedoelde schrijvers is aangevoerd. — De in Jur. D. I. P. noten 592 en 679 vernielde beslissing in zake de Charkieh is mede opgenomen in R. B. 1873 p. 257.

19. Over de verschillende bestaande en beweerde uitzonderingen op de exterritorialiteit ieder afzonderlijk zie Jur. D. I. P. nos. 70 — 97 (vgl. hieronder nos. 20—28), waarbij zich aansluiten 1.1. no. 98 (vgl. hieronder no. 29), en nos. 99—111 over den afstand van de exterritorialiteit (vgl. hieronder no. 80).

30. a. Speciaal over de kwestie, in hoofdzaak bekend als die van den gezant-onderdaan, en analoge gevallen, zie Jur. D. I. P. nos. 70—75, waarvan no. 71 meer in het bizonder betreft gezanten en andere leden^van vreemde legaties, no. 72 de bedienden en andere leden van het z.g. niet-officieele gevolg der vreemde gezanten, no. 73 de gezinsleden van den gezant, — allen voorzoover onderdanen in den ontvang-Staat, no. 74 het vreemde staatshoofd-onderdaan, no. 75 burgers, die soldaten of matrozen zijn van een vreemden Staat, wat voor Nederlanders slechts mogelijk is na verkregen toestemming onzer Regeering tot het zich begeven in vreemden krijgsdienst (art. 7'no. 4 wet 12 Dec. 1892 Stbl. 268).

Gewezen worde hier nog op het in Jur. D. I. P. noot 614 gezegde ') over de Resoluties der Staten-Generaal van 10 Okt.

!) Vgl. ook hierna de noot bij no. 36 sub b. — Vermeld zij verder dat met Tasset 1.1. p. 68 — 72, die voorstander is der exterritorialiteit van den gezantonderdaan, zich vereenigt J. B. B(reukelman) in W. 6271 p. 3 kol. 1. — Bij de in Jur. D. I. P. noot 620 genoemde tegenstanders dezer exterritorialiteit is te voegen de Bosch Kemper, Wetb. v. Strafvord. 1 (1838) p. 14.

Vgl. Tasset p. 75 — 78 aangaande de exterritorialiteit van bedienden, burgers in den ontvang-Staat (zie Jur. D. I. P. no. 72, speciaal noot 632 aldaar).

Sluiten