Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, reet R. 0. — Alg. Begins. XXI. 747

gewezen, op welk punt vgl. t. a. p. nos. 276 vlgg. en hierna no. 44. De nos. 128—163 hebben betrekking op vonnissen, geveld in gevallen dat een uitzondering op de exterritorialiteit aanwezig is, of van haar vrijwillig afstand is gedaan. Over de in W. 7023 p. 4 kol. 1 v. b. door H. Hymans voorgestane meening vgl. t. a. p. in noot 916; over de stellingen, verkondigd door Furnée p. 60—61 en door Kleyn p. 74 v. b. j's. 91—92 in hun dissertaties (beide geciteerd hiervóór in no. 2 sub a) zie t. a. p.'noot 968. Nos. 136—163 t, a. p. handelen over de voorwerpen, krachtens volkenrecht aan executie onttrokken. Vgl. 1.1. in noot 1010 de vermelding deipolemiek betreffende een schip tot opleiding van loodsleerlingen in W. 8010, 8013, 8027, alsmede de t. a. p. verder geciteerden.

84. Over de immuniteit van jurisdiktie voor vreemde Staten in het bizonder, zie Jur. D. I. P. nos. 164—190. T. a. p. in noot 1018 wordt o. a. ook Nederlandsche litteratuur aangehaald, gelijk mede in noot 1029 over staatsleeningen. Zie 1.1. nos. 167—177 over het volkenrechtelijk gewoonterecht betreffende deze immuniteit, zooals het blijkt uit de jurisprudentie van verschillende landen, waarvan no. 169 voor Nederland vermeldt Rb. Amst. 18 Sept. 1840 W. 143 (concl. O. M. in W. 120; vgl. ook W. 116 p. 4 kol. 3), R. B. 1844 p. 798, bij welk vonnis de immuniteit uitdrukkelijk is erkend. Daarbij zie D. J. Jitta in R. Mag. 1 (1882) p. 100. Bedoeld vonnis ') betrof intusschen een handeling iure imperii verricht, daar de eisch tot vrijwaring, ingesteld tegen den Belgischen Staat, steunde op bevelen, door de Belgische Regeering gegeven aan den gedaagde in de hoofdzaak. Daarentegen betrof Rb. Middelb. 7 Nov. 1900 (zie onder Rb. Middelb. 12 Febr. 1902 W. 7812) wel een bestuursdaad, doch enkel in den ruimeren zin van dit woord, waarin het ook daden iure gestionis publicae (gestion publique) ondernomen, omvat (vgl. hiervóór p. 415 v. b.). — Over H. R. 13 Okt. 1843, hiervóór p. 42 geciteerd, vgl. het p. 44 v. b. gezegde.

!) Hot beroep der Rechtbank op het Londensche traktaat van 1839 (Kon. Bes] 22 Juni 1839 Stbl. 26) was overbodig.

Sluiten