Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

750

Inleid, wet R. 0. — Alg. Begins. XXI.

landen ten opzichte van deze materie in de 17e en 18e eeuw voorviel.

c. De Nederlandsche jurisprudentie heeft de civiele immuniteit van jurisdiktie der vreemde gezanten en hun gevolg meermalen erkend. Zoo uitdrukkelijk vooral Ktg. 'sGrav. 15 Febr. 1869 W. 3116, overwegend dat uit de waarschuwing van 1679 blijkt dat de volkenrechtelijke regel ten deze geldend in de Nederlanden kracht van wet had, zonder dat op dien regel aldaar ooit was teruggekomen, zoodat hij, hoewel niet bij de wet gesanktioneerd, door den rechter moet worden geëerbiedigd. Ygl. over dit vonnis ook hieronder sub h. In gelijken geest als het zooeven geciteerde was beslist door Rb. Leiden s. d. W. 1076, met beroep op de fiktie van exterritorialiteit, eveneens gehuldigd door Rb. Amst. 26 Juni 1850 W. 1151, R. B. 1850 p. 607. Zoowel laatstbedoelde beslissing als die van Rb. Middelb. 8Dec. 1869 R. B. 1872 p. 778, beide vreemde consuls betreffend, namen in de motiveering de civiele immuniteit der gezanten aan.

cl. Zie Jur. D. I. P. no. 207 over den omvang der civiele exterritorialiteit van de vreemde gezanten, met verwijzing naar vorige nos. voor de weerlegging van hen, die tegen de exterritorialiteit aangaande daden zuiver als partikulier verricht, aanvoeren dat de gezant bij zulke daden niet optreedt als representant van zijn Staat, een argument bij ons gebezigd door Ev. de Jonge 1.1. p. 38—39. Deze bestrijdt echter zelf p. 198—199 de onderscheiding tusschen daden q.q. en in privé, als leidend tot ontduiking der verplichtingen van den gezant '). Tegen een andere onderscheiding vgl. denzelfde 1.1. p. 199—204. De uiteenzetting door hem p. 393 - 394 van zijn eigen stelsel munt m. i. uit door vaagheid.

1) Vgl. 1.1. p. 198 v. b. de opmerking dat de gezant, die een huis of meubels daarvoor huurt, zich verbindt als privaat persoon, al moet hij als gezant wonen en meubels hebben. Hiermee stemt in ne Paepe (hiervóór no. 2 sub a geciteerd) p. 176—177. Over dergelijke schulden, aangegaan ter wille van het ambt, vgl. Jur. D. I. P. p. 460—462.

Sluiten