Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

756 Inleid, wet R. O. — Alg. Begins. XXI.

een vreeraden gezant verbieden. Ditzelfde geldt krachtens art. 5 R. O. altijd, dus ook voor elke strafvervolging, welke met het volkenrecht niet in overeenstemming zou zijn. Op grond van genoemd artikel zou de Regeering bij algemeene cirkulaire het O. M. kunnen gelasten om, indien een kwestie van volkenrechtelijken aard zich voordoet, haar, Regeering, daarvan te verwittigen. De omstandigheid dat misschien niet alle ambtenaren van het O. M. steeds zullen inzien dat er zulk een kwestie in het gegeven geval bestaat, zou dan toch nog moeielijkheden kunnen meebrengen, maar deze waren dan tot een minimum gereduceerd. Vgl. overigens nog, behalve de in Jur. D. I. P. noot 1508 geciteerden, Smidt, Gesch. Wb. v. Strafr., 2e ed. V p. 96 jo. I p. 121— 122, v. Hamel, Inleid. 3e ed. p. 172, en v. Karnebeek (in no. 12 hiervóór aangehaald) p. 91—94.

2°. Bij de grondwetsherziening van 1848 verdedigde de Min. v. Just. het tegenwoordige art. 156 lid 2 Grw., o. a. door te wijzen op de mogelijkheid dat voor den Nederlandschen rechter een geding tegen een vreemden Staat, wordt aanhangig gemaakt, waartegen onze Regeering z. i. moest kunnen opkomen; vgl. Voorduin, Geschied, en Begins. der Grw. (1848) p. 369—370 sub V° en Vl° ; Belinfante, Handelingen ... herziening ... Grw ... (1849) II p. 412 jo. III p. 406. Zie daarover W. A. C. de Jonge, Administratie en Justitie p. 55—57. Diens voorstelling, als ware onze rechterlijke macht „in het afgetrokkene" competent tegenover exterritoriale personen, is m. i. onjuist. De rechterlijke macht is, ook in concreto, competent in de gevallen van uitzonderingen op en bij afstand van de exterritorialiteit, doch, mede in abstracto, anders incompetent op grond der restriktieve interpretatie overeenkomstig het volkenrecht te geven aan onze competentie-bepalingen (vgl. hiervóór no. 2 sub a, d, en fi°.g). — de Jonge roert t. a. p. ook de vraag aan, of er een competentie-conflict mogelijk is, indien de Regeering wèl beweert dat de rechterlijke macht incompetent, doch niet dat zij zelf competent is om de aanhangige zaak te beslissen. Vgl. daaromtrent nog de in Jur. D. I. P. noot 1509 geciteerden, de Jonge 1.1.

Sluiten