Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, iret R. 0. — Alq. Begins. XXI. 757

spreekt zichzelf op dit punt tegen, daar hij meent dat art. 150 lid 2 Grw. 1848 toepasselijk kon zijn, terwijl hij tevens onjuist acht de voorstelling van den Min. v. Just. in 1848, waarnaar er hier een competentie-conflict kon rijzen. — Dat intusschen de door bedoelden Minister gewenschte regeling onvoldoende zou wezen, leert m. i. het geval dat in Pruisen door het arrest van het Hof voor competentie-conflicten d.d. 25 Juni 1910 is beslist') op een wijze, waarvan men kan betwijfelen of zij wel geheel in den haak was. — Juist tegen een formeel in kracht van gewijsde gegaan vonnis, en tegen de executie daarvan moest m. i. een bizonder middel van voorziening openstaan, gegrond op ontstentenis der jurisdiktie naar ons recht, overeenkomstig het volkenrecht. Die voorziening ware dan in te stellen b.v. voor den Hoogen Raad.

1) Zie liet arrest in Zeitschr. für internat. Recht 20 p. 416.

Sluiten