Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, icet R. 0. — Diverse onderwerpen.

761

1915 W. 9766, N. Jur. 1915 p. 405, en wel op de volgende gronden. Naar onze staatsinstellingen wordt de staatsmacht, behoudens de koninklijke waardigheid en het regentschap, uitgeoefend door mannen. Bij het vaststellen der Grondwet en van de organieke wetten twijfelde niemand daaraan. Dientengevolge achtte men het onnoodig [lees: bestond er geen aanleiding] dit uitdrukkelijk voor te schrijven. Echter blijkt uit tal van bepalingen dat men de mogelijkheid vrouwen met de staatsmacht te bekleeden voor uitgesloten hield. Zoo ten aanzien der rechterlijke macht in het bizonder uit art. 10 lid 1 R. O., dat niet van echtgenooten spreekt, en uit art. 10 lid 4, dat enkel gewaagt van het overlijden der vrouw, welke zwagerschap veroorzaakt. Aan hetgeen als de bedoeling van den wetgever en de strekking der wet moet worden aangenomen, is bij haar uitlegging vast te houden, nu het geldt de interpretatie van wetten, die een deel der staatsmacht aan bepaalde autoriteiten opdragen. De wet geeft voorts geen aanleiding ten aanzien der vraag naar de benoembaarheid van vrouwen te onderscheiden tusschen de rechterlijke macht in engen zin (de rechters van art. 155 Grw.) en in ruimen zin (art. 166 Grw.), tot welke laatste ook b.v. de griffier behoort.

Op dit arrest (gecasseerd door H. R. 25 Juni 1915 W. 9807 om hier niet ter zake dienende redenen) teekent D. S(imons) in W. 9766 ten opzichte van het boven geciteerde aan als volgt. Geen wetsbepaling verbiedt de benoeming van vrouwen bij (ie rechterlijke macht. De motiveering van hel Hof ligt naast de wet. Het beioep op art 10 R. O. bewijst enkel dat de wetgever niet heeft gedacht aan de benoembaarheid van vrouwen. Men mag hot veibod niet in de wet leggen. Het opereeren met de bedoeling van den wetgever is gevaarlijk, vooral waar het geldt onthouding van rechten; daarbij moet worden gerekend met de stienge letter der wet, niet met min of meer waarschijnlijke bedoelingen.

M. i. is deze laatste bewering onjuist. Zij betreft de methode van wetsuitlegging in het algemeen; vgl. nader op art. 11 Aig. Bep., en voor de interpretatie der wet R. O. in het bizonder,

Léon : Rechtspraak, 3e Druk, Deel II, afl. 1 (Mr. L. van Praag, Recht. Org.)

Sluiten