Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

762 Inleid, icet R. 0. — Diverse onderwerpen.

hieronder sub ïb. Wèl is het m. i. juist dat uit de wet R. O. niet kan worden afgeleid de bedoeling tot een verbod der benoeming van vrouwen. Doch het meest sterke argument van het Hof is gelegen in den eersten hierboven vermelden zin van het arrest. Als het waar is dat onze wetgeving is doortrokken van de opvatting dat het staatsgezag is uit te oefenen door mannen (en dat dit waar is schijnt toch moeielijk te kunnen worden ontkend; evenmin dat de uitzondering voor het hoofd van den Staat, als berustend op politieke en historische gronden, hier geen gewicht is de schaal legt), dan moet ook een wet, die op dit punt zwijgt, worden toegepast overeenkomstig het algemeene stelsel onzer staatsinrichting. Daarom alleen is er, naar het mij voorkomt, voor de Jeer van het Hof meer te zeggen dan voor die van D. S. Dit althans ten aanzien van de rechters van wie sprake is in art. 155 Grw. Want het is nog de vraag, of het Hof terecht aanneemt dat hetzelfde ook moet gelden voor alle ambtenaren bij de rechterlijke macht, welke, zonder met rechtspraak belast te zijn, bij de rechtspraak een taak vervullen, en daarom behooren tot de rechterlijke macht in ruimen zin (art. 166 Grw.). Immers het argument, geput uit de algemeene strekking onzer staatsinstellingen, heeft, dunkt mij, slechts volle kracht ten opzichte van ambtenaren met staatsmacht bekleed. En daartoe behoort b.v. de griffier niet (een beëedigde klerk ter griffie is zelfs in het geheel geen lid der rechterlijke macht; vgl. op art. 47a R. O.), zoodat ik zou meenen dat een vrouw tot griffier kan worden benoemd. Van het O. M., als belast o. a. met de handhaving der wetten (art. 4 R. O.) kan worden gezegd dat het met staatsmacht is bekleed. Omdat het O. M. niet, gelijk de rechterlijke macht in engeren zin, onafhankelijk is (art. 5 R. O.) kan men te zijnen aanzien toch weer twijfelen. Maar het boven bedoelde beroep op onze staatsinstellingen gaat niet enkel op voor de aan anderen in het geheel niet ondergeschikte staatsorganen. — Het hier gezegde laat de opportuniteit der benoeming van vrouwen in het midden. Mede daaromtrent, zie nog naar aanleiding van het hier vermelde arrest van Hof Leeuwarden,

Sluiten