Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

768

Inleid, wet R. 0. — Diverse onderwerpen.

autoriteiten opdragen [zooals de wet R. O.], in veel meerdere mate dan bij de burgerlijke wetgeving, als eenig richtsnoer voor de interpretatie naar voren moet treden de wet en de bedoeling van den wetgever. Ook vereischt daar (aldus het Hof) in veel meerdere mate iedere verandering een beslist ingrijpen van den wetgever.

Het komt mij voor dat aan deze opvatting een gezonde gedachte ten grondslag ligt, maar dat deze niet juist is uitgewerkt. M. i. had moeten worden onderscheiden tusschen wetsuitlegging en rechtstoepassing, ook geboden bij het zwijgen der wet. De regelen voor de eerste zijn, dunkt mij, in beginsel steeds dezelfde, en daarbij moet de bedoeling van den wetgever, indien zij met voldoende zekerheid kan vastgesteld, voorop staan, zij het niet als eenig richtsnoer. Eerst na de uitlegging komt de rechtstoepassing, welke kan verschillen naarmate van het onderwerp, in den trant zooals het Hof aangeeft.

J. Vereenigingen van rechters.

Hierover W. 8779 p. 3, 8961 p. 4 kol. 1; Tijdschr. voor Strafr. 25 p. 488—489. — Voorts D. Jur. Zeit. 1906 kol. 1357—1358; 1907 kol. 172, 578, 948, 1244—1245; 1908 kol. 66—67, 577—578, 746, 803, 1149, 1193—1197, 1328—1329; 1909 kol. 70, 192—193, 1302—1307; 1912 kol. 1483—1484; 1914 kol. 684—685 (voor Frankrijk); Archiv für Rechts- u. Wirtsch.philos. 5 p. 353.

K. a. Over de Duitsdie rechters zie C. Kade, Der deutsche Richter, 2e ed. (1910; vgl. D. Jur. Zeit. 1910 kol. 1421—1422; Arch. f. Krimin.-Anthrop. 46 p. 375—376). Zie verder D. Jur. Zeit, 1910 kol. 569—571; 1912 kol. 785—786.

b. Over de Oostenryjksche rechters vgl. D. Jur. Zeit. 1912 kol. 1023—1029.

L. Publikatie van jurisprudentie.

Hierover zie D. Jur. Zeit. 1912 kol. 887—891.

Sluiten