Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I.

Wolf, de oudste wapenknecht van den Valkenburcht die al twee uur de wacht op den hoofdtoren betrokken had, leunde tegen de breede borstwering en tuurde naar de blauwe bergen waarachter de zon gauw verdwijnen zou.

De dag was drukkend heet geweest, 's Morgens vroeg, bij het eerste hanekraaien, was hij met een paar jongere gezellen om een partij gelooid leder gezonden naar de stad, waarvan hij juist even de torenspitsen zwart en scherp tegen de lucht kon onderscheiden, 's Middags, nu ja! had hij een paar uur geslapen — dat was geen wonder bij deze hitte en z ij n leeftijd. En daarna had de hoofdman der wacht hem vóór twee uur op den toren geplaatst.

Wolf vond dat die post na zoo'n morgenrit beter aan jongere krachten ware toevertrouwd. Een pruttelaar was hij niet. Dat zou geen mensch beweren! Maar deze uren van uitkijk kwamen hem toch te veel voor.

Als ridder Dagobert, de burchtheer, thuis was geweest, zou dat niet gebeurd zijn.

Wolf was ridder Dagobert's rechterhand, twintig jaar ouder dan deze. Wolf had den burchtheer vergezeld op al zijn tochten: bij oorlog, jacht en ridderspel en bruidvaart. Wolf beschouwde zich als één met zijn meester en als niet veel minder dan hij.

De lange wacht was hem geducht tegengevallen. Hij was er zeker van dat de groote zandlooper in de bovenzaal al meer dan twee uur had aangegeven na zijn naar boven klimmen. Zijn goede Janna, voor wie hij bezig was een hoenderhok te timmeren, moest wel van evenveel ongeduld en ergernis popelen als hij over den onverwacht gevergden dienst.

De hoofd- of wachttoren — een zwaar vierkant gevaarte van grauwen steen — hoog boven de andere gebouwen van

Roswitha. t

Sluiten