Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelf had opgekweekt en afgericht, of juister: dat jonkvrouw Roswitha onder z ij n toezicht had afgericht.

— „Was zij maar een jongen Jammer dat ridder

Dagobert geen zoon heeft!"

Een vlugge, zéér veerkrachtige tred op de steenen wenteltrap nabij, stoorde hem in zijn verzuchting.

Een meisjeshoofd dook op boven het trapgat van den vlakken torenvloer.

— „Vader nog niet in 't zicht, Wolf?"

Roswitha stond naast hem voordat hij antwoord had kunnen geven en tuurde, even als hij geleund over de borstwering, naar den landweg.

Zeker was zij alle treden van de torentrap in één vaart opgestormd.

Zij streek zich de bruine haren van het verhitte gelaat en zweeg hijgend een poos.

— „Vader komt zoo laat. Hij zal zeker opgehouden zijn. De bode, dien hij afzond na den Rijksdag, meende dat vader van middag al hier had kunnen zijn," zeide zij eindelijk meer tot zichzelf dan tot Wolf.

En weer na een poos turens:

„Tante Gonda heeft een maal laten gereed maken waaraan

wel veertig man genoeg zouden hebben. Alles is klaar

Gelukkig dat zoo'n Rijksdag maar heel zelden voorkomt. De Valkenburcht is zoo leeg als vader weg is! Nu heeft vader hem weer gezien, zijn vriend, zijn held! Het wachten valt lang!

Wat zal vader veel te vertellen hebben! 'k Zie aan je

gezicht dat je ook naar hem verlangt, Wolf. Ging je hart niet mee? Je was met vader op al zijn tochten. Je hadt nu ook mee moeten gaan."

— „Te oud," morde Wolf halfluid.

— „Goed dat Janna je niet hoort! Ik was zooeven bij haar. Zij en haar hoenderhok wachten. Een van haar kippen was op den hooizolder geklommen en kakelde! In doodsangst

i L

Sluiten