Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was het dier, en vloog en rende! En 't was nog wel de kip waarop Janna haar hoop had gebouwd en die broeden zou.

Zij wilde den zolder op En toen brak een sport Janna

is niet van de lichtste! En ik ving haar op, en liep zelf de ladder op.... Dat gaf nog veel erger gekakel op den hooizolder. Maar de kip kreeg ik en bracht haar terug."

Roswitha lachte bij 't herdenken van haar jacht.

Wolf schudde het hoofd en keek haar aan.

Roswitha was zij genoemd naar de gezegende en zegenrijke jonkvrouw zaliger, de non Hroswitha, groot in wandel en handel voor God en menschen, een voorbeeld van nederigheid en zachtheid, bij al haar wijsheid en standvastigheid en kennis; naar niemand minder, al was de H vóór haar naam verloren gegaan of weggelaten. Met het schrijven van namen nam men het zoo nauw niet in die dagen. Maar zij stond nog heel ver van haar naamgenoot af. Wolf was thuis in de levensgeschiedenis van haar in wier voorbede en hoede Roswitha was opgedragen. Vader Hubertus, kapelaan en biechtvader van den Valkenburcht, had hem daarvan alles verteld. Wolf nam dikwijls onwillekeurig „geestelijk" de maat tusschen beiden en waar het pas gaf verzuimde hij zelden Roswitha den afstand „ter leering" vóór te houden. Niet dat hij hoopte dat de levensloop van het eenige kind van zijn meester gelijk zou zijn aan dien der heilige Hroswitha ! Wolf had andere voorstellingen en plannen voor haar toekomst.

Roswitha lachte nog altijd.

— „Over twee jaar moet je een deftige jonkvrouw zijn, jonkvrouw Roswitha, waar die deftigheid van daan moet komen...."

— „Over twee jaar ben ik zeventien. Als ik dan al deftig en stijf en — saai moet zijn!"

Roswitha liet haar hoog opgeschort bovenkleed zakken, sloeg er stof en hooihalmen af en zette zich in een kanteelopening.

Sluiten