Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Groot en slank was zij. Fijn gebouwd. Kerngezond, dat zeiden de klare diepe donkere oogen, waarin het leven tintelde en lachte, de frissche lippen, de zacht geroode wangen en het zware bruine haar, eenvoudig gescheiden en naar achteren gestreken en in twee vlechten lang neerhangend op haar rug. Een haardracht sinds lang niet meer in gebruik bij de jonkvrouwen en edelvrouwen, die het haar nu bij voorkeur los droegen onder den haarband, die het hoofd nauw omsloot en het haar breed deed afgolven langs schouders en rug. Maar Roswitha stoorde zich niet aan mode of gebruiken, wist daarvan ook niets op den afgelegen Valkenburcht. Los haar bij haar beweeglijkheid, bij haar snelle en lange tochten te paard! Ook in haar kleeding was zij vele jaren ten achter. Zij droeg haar kleederen zoolang die goed en gemakkelijk in 't gebruik waren.

— „Wat zal vader veel te vertellen hebben," zei Roswitha nog eens.

— „Zooveel als na den voorlaatst en rijksdag, Keizer Frederiks kroningsdag, zeker niet," antwoordde Wolf langzaam en gewichtig, het oog op den weg met een uitdrukking alsof hij weer zag wat hij vóór jaren te Aken had gezien.

Hij haalde de vingers door zijn grijzende haren en schraapte zijn keel als iemand die zich voorbereidt op lang spreken.

Roswitha verroerde zich niet. Zij wist wat komen ging.

Zoo nu en dan sprongen herinneringen aan levendiger en woeliger tijden bij Wolf los. Dan moest hij die luchten.

Zijn verhalen waren kleurige verluchtingen. Hij was een geboren verteller. Geen meistreel die het hem verbeteren zou! Meistreels en gasten.... onderbreking van de eentonigheid op den afgelegen Valkenburcht was zeldzaam.

Roswitha luisterde altijd graag. Wolfs verhalen hadden voor haar de bekoring van oude lieve bekende melodieën.

— „Daar zijn nu twintig j aar overheen gegaan, 't Was in 1215" begon hij, „onze paarden waren-verzorgd en ik had een plaats weten machtig te worden op een der galerijen van de Keizerzaal.

Sluiten