Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II.

Roswitha vertraagde den gang van haar paard niet voordat zij bij haar vader was en met een snelle behendige wending hem op zij kwam.

Toen sloeg zij de armen om hem heen.

Goddank! hij was ongedeerd, al zag hij er ernstiger en strakker uit dan zij van hem gewoon was bij een terugzien na zooveel dagen afwezigheid.

Haar vader beantwoordde haar kus, schoof haar armen van zijn hals, wendde zich om en wees op het paard, „het derde in de rij" reeds door Roswitha van den toren opgemerkt.

— Een zieke. Een zéér vermoeide althans, Roswitha, die ik hoop dat gauw herstellen zal op den Valkenburcht door de goede zorgen van tante Gonda en jou."

De ineengedoken gestalte in grauwe pij, die meer lag dan zat op het paard van een der wapenknechts, nu afgestegen en die het bij den toom voerde, hief even het hoofd op en Roswitha zag onder den neergetrokken kaper een doodsbleek meisjesgezicht dat haar schuchter en toch onderzoekend aanstaarde.

— „Wat een teer bleekwangig poppetje!" dacht zij.

„En zij lijkt nog wel van mijn leeftijd! Eer ik zóó op een

paard zou willen hangen Maar zij is ziek."

— ,,'k Hoop dat gij gauw bij ons zult opknappen," zeide zij, en stak haar bruine hand uit, waarin de andere haar smalle witte hand legde.

— „God ten groet, allen tezamen," vervolgde Roswitha tot het zestal ruiters dat twee aan twee volgde.

Zij knikte ieder afzonderlijk toe, vriendelijk en kameraadschappelijk. Zij was blij allen wel en gezond weer te zien.

Toch was er iets in haar blik van den veldheer die zijn troepen monstert.

Sluiten