Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de lang van de schouders afhangende open bovenmouwen. In de oogen veel rustige goedheid, die de statigheid deed vergeten.

Roswitha bracht haar boodschap over.

— „Erg ziek en vermoeid is die Godelieve, geloof ik," besloot zij, „zoo wit als een was ex-voto poppetje uit onze kapel."

Jonkvrouw Gonda die al een sleutel uit den langs hare zijde afhangenden sleutelring had genomen, bleef even staan.

Niemand onder verwanten of kennissen droeg dien naam of had een dochter van dien naam.

Wie kon haar zwager van zijn tocht hebben meegebracht?

— „Zij zijn bij den laatsten hoek," berichtte Roswitha wat later de linnenkamer binnenloopende.

— „En de kamer is zoo goed als klaar," antwoordde jonkvrouw Gonda terwijl zij Magda, een der kamermeisjes lakens en verdere benoodigdheden overgaf, en de reusachtige van lavendel geurende linnenkasten sloot.

Roswitha ging met haar mee naar de in gereedheid gebrachte kamer, een smal vertrek met een venster op het zuiden, diep in den dikken muur.

Wanden en gewelfde zoldering waren witgekalkt. De roode plavuizen op den vloer met wit zand bestrooid. In denéénen hoek gaapte een ronde, wat vooruitspringende schouw. Als ameublement een eikenhouten kast, een dito bed, een zware vierkante tafel in het midden, een kleinere tegen den muur met tinnen waschbekken en kan, een bidstoeltje voor een eenvoudig kruis aan den wand en een paar plompe stoelen met losse kussens.

Jonkvrouw Gonda het Magda nog een paar fraai geverfde schapenvachten vóór het bed en onder de tafel spreiden en keek de kamer rond.

Sluiten