Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan alle eischen van comfort voor dien tijd was voldaan en tevreden ging zij heen.

De jonge gast zat niet lang aan.

Toen jonkvrouw Gonda haar in haar sterke armen van het paard had getild, naar boven had geleid en doen nederzitten in den gemakkelijkst en leunstoel, had zij meer uit wellevendheid dat uit behoefte haar brood in de haar toegediende soep gestipt, en werktuigelijk wat gegeten.

Het was treurig dat bleeke. ingevallen gezichtje te zien, zoo heel teer en bleek boven de grove grauwe pij, die zij nog altijd, ondanks de warmte, met krampachtig gesloten vingers angstvallig om zich heen hield. Zacht, maar beslist had zij beurtelings jonkvrouw Gonda en Roswitha's hulp afgeweerd, toen die haar daarvan hadden willen ontdoen. Een fijn gelaat, de matte oogen daarin onder schaduw der lange wimpers, als bloemen bij avonddauw die slapen gaan; een gelaat waarvan de matheid slechts voorbijgaande moest zijn en het gevolg van overmoeheid: in het breede blanke voorhoofd lag kracht. Wat verward blond haar uit den naar achter geschoven kaper donsde daaromheen zijn lichte teerheid.

Het was een stil maal.

Roswitha zat zwijgend naast haar vader, de oogen nu eens op hem dan op hun jonge gast. Ridder Dagobert, anders opgewekt en spraakzaam, was in zichzelf gekeerd, en scheen den blik op die laatste te vermijden.

Zelfs op de wapenknechts en verdere aanzittende burchtzaten werkte de gedrukte stemming.

Jonkvrouw Gonda had alleen oogen voor het bleeke schepseltje naast haar.

— ,,Morgen zal het eten beter gaan," zeide zij en bracht haar naar haar kamer.

Sluiten