Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Het gemis was heel groot," zei Godelieve met trillende lippen en afgewend gelaat.

Zij gingen langzaam, de mand met boschbessen tusschen hen in, elk een hand aan een der hengsels. Dat had Roswitha zoo gewild.

Zij was zóó gewend vlug te loopen! Nu moest zij gelijken tred houden met Godelieve.

„Ik hoop dat je lang zult blijven," zei Roswitha eenige oogenblikken later. „Nu de Keizer weer in Duitschland is, zal hij vader zeker dikwijls bij zich roepen.... Vader is in zijn jeugd aan 't hof van Keizer Barbarossa geweest, samen met onzen Keizer. En zij hebben later samen heel wat doorgemaakt. Ook den groot en laatsten kruistocht, waarover Wolf zoo graag spreekt. — Wolf ken-je nog niet, omdat hij tot de getrouwde burchtzaten behoort en dus niet mee aanzit bij onze maaltijden. Mèt vader Hubertus, onzen biechtvader die nu naar zijn klooster is, een van mijn beste vrienden, al kan hij heel streng tegenover mij zijn. Janna, Wolfs vrouw, was mijn kindervrouw bij moeders ziekte. En nog lang daarna, want zij hield van mij, zooals ik van haar Daar is Wolf!"

Zij waren bij jonkvrouw Gonda's ommuurden bloementuin.

Wolf kwam er uit.

— Jonkvrouw Roswitha," zeide hij en wachtte even in 't voorbijgaan, „Janna is gelukkig. Mijn kippenren is af, en zij heeft een broedende hen."

Hij wilde nog meer zeggen maar bleef steken, het oog op Godelieve.

— We komen straks kijken, jonkvrouw Godelieve en ik."

— Ja, ja," knikte Wolf werktuigelijk, het oog altijd op Godelieve.

Hij groette, en ging verder.

Roswitha keek hem verwonderd na.

Wat mankeerde Wolf.

Hij zag er uit of hij een nachtspook had gezien.

Sluiten