Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zooveel van haar vader en tante Gonda verteld! De tegenstelling moest hard zijn.

Toen zij later bij Godelieve kwam, zag zij dat zij had geschreid.

— Vergeef als ik wat gedaan of gezegd heb dat je verdriet heeft gedaan," zeide zij en sloeg haar arm om haar heen. „Zeg het mij, wanneer ik dat doe. Ik denk dikwijls te veel aan mij-zelf en heb later daarover spijt."

— De schuld ligt aan mij. Let er niet op als ik plotseling stil of bedroefd word. Dat zal later beter gaan."

Godelieve dacht er niet aan om uit leggen waarom zij bedroefd was geweest, en Roswitha verliet haar met een gevoel van teleurstelling.

— Waarom zegt zij mij niet wat haar scheelt," dacht zij. „Alles zou zooveel gemakkelijker en prettiger zijn. Ik zou haar zoo graag willen helpen en opvroolijken."

Zij liep een poos doelloos rond. Tante Gonda's woorden eergisteren nacht vóór het raam van Godelieves kamer gehoord kwamen haar in gedachte.

Haar vader had niet mogen weigeren. Het was Christen- en

ridderplicht geweest Natuurlijk dat moest zijn om de

ouderlooze, die nog ziek dreigde te worden bovendien, onder zijn hoede en mee naar den Valkenburcht te nemen.

Maar haar vader bij Christen- of ridderplicht, deed dat met zijn geheele hart, zooals een edelmoedig en rechtschapen ridder past. Ditmaal was dat anders geweest Zijn houding tegenover Godelieve gedwongen. Niets van de hem anders eigen gulle hartelijkheid daarin! Hij had haar vragen omtrent Godelieve ontweken. Hij was alleen uitgereden zonder haar, Roswitha, mee te nemen. Zij had hem nauwelijks gezien in die twee dagen.

Tante Gonda's bezorgdheid was haar niet ontgaan. Die was nu gewoon en heel vriendelijk voor de jonge gast.

En Wolf, die óok al zonderling deed en het dezer dagen te druk scheen te hebben om te zijn daar waar zij hem anders kon vinden.

Sluiten