Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De burcht leek uitgestorven. Ridder Dagobert was met Wolf uitgereden; tante Gonda naar het dorp, Godelieve op haar kamer.

Zij ging naar Janna.

Janna had het druk met haar avondmaaltijd. Zij zat voor haar deur op de bank, een mand met wortelen naast haar, en keek nauwelijks op toen Roswitha zich bij haar neerzette.

De mooie sappige wortelen werden geschrapt.

Janna vroeg naar Godelieve. Of zij weer heelemaal beter was. Zij had er danig uitgezien op reis. Govert, een der wapenknechten die ridder Dagobert naar Mainz had vergezeld, had gezegd als een halve doode toen ridder Dagobert met haar was teruggekomen.

— Waar, en hoe?" Roswitha had haar gedachten bijna geuit. Om aan de verleiding van meer te vragen te ontsnappen, vestigde zij al haar aandacht op de wortelen.

— Geef mij er een, Janna! Heerlijk!" „Nog één, een groote ongeschrapte met loof en al. Niet voor mij maar voor Freia. Die houdt er ook van." En zij liep heen, knabbelend op den haren.

— Maak Freia los, laat den stal open, Hendrik," riep zij dezen toe op het binnenplein.

Zij bleef er staan en floot.

Daar kwam Freia. In de deur van den stal!

Roswitha floot nog eens en het paard kwam in korten draf naar haar toe, de schrandere oogen vol verwachting, de ooren gespitst.

— Mooi."

Zij klopte het op den nek, en het kreeg de peen.

Hendrik keek toe uit den stal.

Sluiten