Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V.

Een paar dagen later kwamen er gasten: ridder van Hohenberg en zijn beide zoons Eberhard en Carel.

Ridder Hohenberg had een omweg gemaakt om zijn verwanten, en voornamelijk zijn zuster Gonda te bezoeken.

— Ik hoop dat jullie niet dadelijk weer gaat, maar minstens nog een paar dagen blijft," zeide Roswitha tot haar beide neven die zij aan de poort begroette.

„O, Eberhard wat een mooi paard," viel zij zich zelf in de rede en streelde den jongen vos, dien hij bereed.

— Ja, dien ken-je nog niet, Roswitha. Die springt als een werkelijke vos. Morgen ochtend op 't binnenplein "

— Ja, morgen op 't binnenplein moet hij zijn kunsten vertoonen," beaamde Roswitha en ging mee in den stal om te zien dat de paarden goed verzorgd werden.

Zij liep naar Godelieves kamer om haar van het bezoek te vertellen.

Tante Gonda was bij haar.

— Godelieve is niet heel wel en zal van avond liever niet aan tafel komen," zeide deze. „Ga met mij mede, Roswitha. Ik heb je hulp noodig om alles voor de onverwachte gasten in orde te maken.

— Maar wat scheelt haar dan?" vroeg Roswitha.

Zij had er zich zooveel van voorgesteld Godelieve met Eberhard en Carel in kennis te brengen. Bovendien gevoelde zij dat Godelieve niet ziek was en er een andere reden voor haar niet aan tafel komen bestond.

Het ging daar vroolijk toe.

De Heer van Hohenberg, gul en opgewekt zooals altijd, vol van Rijksdag en Keizer, verjongd door het samenzijn met zijn zuster, trotsch op zijn zoons, beide lievelingen van Roswitha.

Sluiten